Foto Merlijn Doomernik

Aan de spreekkoren heeft Feyenoord-supporter Miep Smith (87) een godsgruwelijke hekel

Antisemitisme De vader van Miep Smith werd vermoord in Auschwitz. Ze is trouw Feyenoordfan, maar stoort zich aan antisemitische spreekkoren. „Het komt zo rottig de bek uit.”

Een diehard Feyenoordfan is niet het eerste wat je achter Miep Smith zoekt. De 87-jarige Rotterdamse oogt frêle, ze kan zich ternauwernood zonder stok voortbewegen. „Een herseninfarct”, vertelt ze in haar kleine huurwoning in het oosten van de stad.

Maar zit Miep in De Kuip, dan voltrekt zich een metamorfose. Haar blik is strak op de bal gericht, ze draagt een Feyenoordshawl en schreeuwt haar jongens naar de overwinning. Dat Feyenoord ‘maar’ derde staat in de competitie, en Ajax bezig is aan een opmars in Europa, vindt ze moeilijk te verteren. „Feyenoord heeft niet zo’n best jaar achter de rug, maar wij zijn gewend met tegenslag om te gaan.”

Haar moeder Ans was zo mogelijk een nog grotere Feyenoordfan. Als zij tijdens de wederopbouw wedstrijden op de radio volgde, liepen Miep, zus Elly en broer John thuis op kousenvoeten. „Ze zat nog net niet in die radio”, lacht Miep.

Waarom al die drukte om een bal? Miep begreep er als kind weinig van. Maar het intrigeerde haar ook: een volwassen vrouw die zich zo liet gaan. „Ik ben me als puber wat meer in het spel gaan verdiepen. Strafschoppen, hoekschoppen, buitenspel. En ja, toen kreeg ik de smaak te pakken.”

In de halve eeuw die volgde heeft Miep zeventien plakboeken vol krantenknipsels over Feyenoord verzameld. Ze kent bijna alle spelers, alle jaartallen, alle historische feiten. Maar aan één ding heeft zij „een godsgruwelijke hekel”: de spreekkoren. Die treffen haar in de ziel, zegt ze.

Miep wijst naar de zwart-witfoto van een knappe man op het dressoir. „Mijn vader David”, zegt ze. „Ik was gék op hem. Ik weet nog dat hij me ’s avonds voorlas. Ik moet een jaar of zeven zijn geweest toen hij merkte dat ik goed kon lezen. ‘Miep’, zei hij, ‘vanaf nu gaan we het anders doen. De ene avond lees ik voor, de andere jij.’ Gek hè, daar ben ik zó trots op.”

Ze loopt naar boven om een map te halen. Het levensverhaal van haar vader, netjes geordend. Een persoonsbewijs, een overlijdensbewijs, handgeschreven brieven, een jodenster; ze heeft het allemaal bewaard. Tijdens ons gesprek bladert ze onafgebroken door de map. Ze gaat staan en weer zitten. Staan en weer zitten. „Wil je een bonbon?”

Miep was negen toen de oorlog uitbrak. Twee dagen ervoor, op 8 mei 1940, werd haar vader opgeroepen als dienstplichtig militair. Hij werd ingekwartierd in Den Haag. In de nacht van 9 op 10 mei vlogen Duitse vliegtuigen het Nederlandse luchtruim binnen. Een van de doelwitten: de kazerne waar haar vader zat.

Puin in zijn haar

Dat hij ernstig gewond was, hoorde haar moeder tijdens een lange tocht langs ziekenhuizen. „Het puin zat nog in zijn haar”, zegt Miep. „De scherven staken uit zijn lichaam. Hij is een paar keer geopereerd en heeft tweeënhalf jaar moeten revalideren.”

De rest van het gezin trok in bij een broer van haar moeder aan de andere kant van de stad. „Hij was ons op 13 mei komen waarschuwen dat het Oude Westen niet veilig was. Op 14 mei werd ons huis weggevaagd bij het grote bombardement. Van geluk gesproken!”

Natuurlijk besefte haar vader dat hij als volbloed jood gevaar liep, zegt Miep. Maar ja, hij was soldaat, en dan werd hij ook nog eens liefdevol behandeld in het ziekenhuis. Toen hij als ‘lopend patiënt’ een boodschap ging doen in de stad, op 5 oktober 1942, nam hij niet eens de moeite zijn jas aan te trekken. „De jas waar zijn jodenster op zat”, verduidelijkt zij.

Bij het verlaten van de winkel werd David Wessel staande gehouden. Toen bleek dat er een ‘J’ in zijn persoonsbewijs stond, maar hij geen ster droeg, werd hij opgesloten in het Oranjehotel, de bijnaam voor het huis van bewaring in Scheveningen.

Lees ook het verhaal van Joop Waterman: Geboren in Westerbork – boksend de oorlog door

„Kijk”, zegt Miep. „Deze brief schreef hij tijdens zijn gevangenschap aan mijn moeder. „Hij maakte het ‘naar omstandigheden goed’ en vond dat hij ‘zijn lot moest dragen’. Tot twee keer toe vroeg hij mijn moeder om een tandenborstel en zeep. Aan het eind komt nog een verzoek: of mijn moeder flink wilde zijn, zodat hij een sterke vrouw aantrof als hij weer thuiskwam.”

Zo ver kwam het niet. David Wessel werd op 19 januari 1943 via kamp Amersfoort naar vernietigingskamp Auschwitz gedeporteerd en is daar op 2 februari vermoord.

Hoe haar vader aan zijn eind is gekomen weet Miep niet. Maar dat hij nog op station Hollands Spoor heeft gestaan – zonder jas – weet ze wel. „Mijn man kocht jaren geleden De ondergang van Jacques Presser. Toen ik het boek omdraaide, staarde ik naar het gezicht van mijn vader. Ik schrok me lam! Bleek een Duitser die foto te hebben gemaakt, vlak voor het transport. Via het NIOD heb ik de herkomst van de foto achterhaald. Ze hebben me zelfs een kopie van het origineel toegestuurd.”

Dat Miep veilig door de oorlog is gerold, dankt zij aan het feit dat haar moeder niet joods was. Ze legt vier kaartjes op tafel met een stempel van de gemeente Rotterdam. Daarop staan de namen van alle gezinsleden, behalve die van haar moeder. Haar vader werd 100 procent joods verklaard, de drie kinderen 35. „Daar was ik aanvankelijk beledigd over”, zegt zij. „Met twee joodse grootouders zou je denken dat ik op 50 uitkwam.”

Rottig uit de bek

We komen weer te spreken over de spreekkoren. Hoe komt het dat Feyenoorders tijdens wedstrijden leuzen als ‘dood aan de joden’, ‘wij gaan op jodenjacht’ en ‘Hamas, Hamas, alle Joden aan het gas’ roepen? Miep weet het niet. Iets met groepsdruk? Eén ding is zeker: ze kreeg er in de loop der jaren steeds meer moeite mee. Haar liefde voor Feyenoord bekoelde er niet door, maar ze vond wel dat er iets aan gedaan moest worden.

Vier jaar geleden kwam ze in contact met fancoach Maarten van Holstein. Ze vertelde hem over haar vader. „Kunnen we niet wat aan die spreekkoren doen”, vroeg ze. Waarop Van Holstein haar voorstelde met groepjes van de harde kern in gesprek te gaan. „Hij probeerde die spreekkoren al langer te smoren”, zegt ze. „Maar ga daar maar aanstaan, als er vijfduizend jongens in een vak zitten.”

Miep Smith: „Die jongens konden de holocaust niet bevatten. Ze bleven maar roepen dat ze het bizar vonden.”

Foto Merlijn Doomernik

Om de twee weken neemt Van Holstein een groepje supporters – het overgrote merendeel is man – mee naar het monument voor de vermoorde joodse kinderen op de Kop van Zuid. Daarna gaan ze naar de Breepleinkerk, waar tijdens de oorlog joden verborgen zaten op zolder, boven het orgel. En „als kers op de taart” mogen ze met Miep in gesprek in de Kuip.

In die vier jaar heeft ze enkele honderden supporters gesproken, schat ze. Ze vertelt over haar vader, en ze spreekt haar afschuw uit over de spreekkoren. „Ik hou hartstikke van jullie, zeg ik dan, maar het komt zo rottig jullie bek uit. Daar moeten ze vreselijk om lachen.”

Toen Van Holstein haar vorig jaar voorstelde met vier jongens naar Auschwitz te gaan, twijfelde Miep geen moment. Voor haar was het niet nieuw, ze was er vier keer eerder geweest, maar voor de jongens wel.

„Het was een bijzonder weekend”, zegt Miep. „De een duwde mijn rolstoel, de ander smeerde mijn boterhammen, weer een ander ging op zoek naar informatie over mijn vader. Ze konden de holocaust niet bevatten. Ze bleven maar roepen dat ze het bizar vonden.”

Het is een druppel op de gloeiende plaat, beseft Miep. Spreekkoren zijn een onuitroeibaar probleem. Maar zoals in de Talmoed staat geschreven: ‘Wie een leven redt, redt een hele wereld’.

Bij het afscheid vertelt ze dat haar zoon op 4 mei altijd met een bos bloemen langs komt. Voor zijn opa David, stipt om half acht. Zwijgend kijken ze naar de herdenking op tv. Woorden zijn overbodig, zegt Miep.