Recensie

Recensie Boeken

In het holst van de nacht ontmoet ze haar liefde

Italië heeft tegenwoordig zijn eigen John Green en hij heet Enrico Galiano. Deze in eigen land populaire literatuurdocent die net als de Amerikaanse auteur ook zeer actief is op internet, schreef met De bijzondere woorden van Gioia een scherpzinnig debuut vol rake observaties en levensbespiegelingen dat in de boekenkast niet zou misstaan naast Greens jongerenromans.

Galiano’s roman gaat, zoals vaak ook bij Green, om de strijd tussen schijn en wezen die het leven is, en het onvermogen elkaar echt te kennen. Dat klinkt als zware kost. Maar laat je niet afschrikken: Galiano schrijft licht verteerbaar, met spitsvondige dialogen en sprekende beelden. Bovendien heeft hij met Gioia Spada (17) - het type stille-wateren-diepe-gronden - een onvergetelijk waarachtig personage gecreëerd: zo’n meisje dat de wereld in haar hoofd boeiender vindt dan die erbuiten. En dat zich al haar hele leven anders voelt. Zo houdt ze ervan om mensen te fotograferen, maar dan wel op hun rug, want gezichten van mensen liegen. En ze verzamelt onvertaalbare woorden vanwege de magische werelden die erin besloten liggen. Zoals ‘magari’ dat oorspronkelijk, in het Grieks, ‘gelukkig’ betekent, en nu, in het Italiaans, zoiets als ‘was het maar waar’. Dat vindt Gioia mooi. Want ‘elke keer als je het gebruikt schep je een wereld die er niet is, maar er wel zou kunnen zijn.’

De spanning tussen datgene wat mogelijk en werkelijk is, vormt de motor van het verhaal. Wanneer Gioia op een nacht wegloopt van haar ruziënde schorriemorrie-ouders, weg van de muffe sociale huurwoning, de sterrennacht in, ontmoet ze bij een uitgestorven café, nadat ze in slaap is gevallen op een plastic stoeltje, onverwachts een jongen, Lo, die daar in het holst van de nacht aan het darten is. Hoe onwaarschijnlijk de scène Gioia ook voorkomt, ze raken aan de praat en een romance ontstaat.

Die ontluikende liefde maakt Galiano treffend invoelbaar. Met de eerste omhelzing waarbij ‘de losse scherven waaruit je eerst bestond een geheel beginnen te vormen.’ En de eerste kus die voelt ‘als er niet zijn en er meer dan ooit zijn.’ Maar waarom wil Lo Gioia alleen ’s avonds op stille plekken ontmoeten? En waarom heeft hij een afkorting als naam? Gioia denkt dat haar beeld van Lo misschien wel niet overeenkomt met de werkelijkheid. Ligt dat aan haarzelf? Ze is nu eenmaal ‘een luftmensch’, een dagdromer.

Galiano schrijft zoals een cameraman filmt. Hij zoomt in en uit en speelt daarbij subtiel met licht en donker. Niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk. Mooi bijvoorbeeld is het gesprek tussen Gioia en haar filosofiedocent meneer Bove over ‘verblinden’ dat ‘een van de mooiste tegenstrijdige woorden is die bestaan,’ omdat het betoveren en bedriegen in zich verenigt. Niet geheel toevallig ontleende Galiano zijn motto van zijn boek – ‘omdat ik van je hou, wanhopig, wie je ook bent’ - aan het verhaal van Amor en Psyche, die elkaar alleen in het donker kunnen beminnen. Overigens zijn de verwijzingen naar dit beroemde liefdessprookje en ook andere literaire klassiekers soms wel wat (te) expliciet. Tegelijkertijd, met zo’n bezielende leerkracht als Bove is dit vast deels onvermijdelijk.

Hoogtepunt van het verhaal vormt het verbeten speurwerk van Gioia rond Lo’s plotselinge, mysterieuze verdwijning. Dat levert spannende taferelen op. Via allerlei zijpaden, geholpen door Galiano’s suggestieve schrijven en de licht sarcastische gesprekken met haar denkbeeldige vriendin Tonia (‘de perfecte vriendin omdat ze niet bestaat’), ontdekt Gioia uiteindelijk dat de waarheid rondom Lo niet eenduidig is. ‘Alles begint betekenis te krijgen en tegelijkertijd heeft dat het steeds minder,’ merkt ze vertwijfeld op. Precies dat inzicht is waarom volwassen worden soms pijn doet. Galiano eindigt zijn hartroerende verhaal weliswaar met een punt, maar hij toont je onverbloemd dat het draait om ‘de komma’s’ en hoe de zin van het leven en de liefde verandert als je ze ‘verplaatst, of weghaalt, of toevoegt.’