Recensie

Recensie Boeken

In zijn kinderboek stelt Abdelkader Benali spannende vragen (●●●●)

Schrijver Abdelkader Benali.
Schrijver Abdelkader Benali. Foto: Rien Zilvold
    • Thomas de Veen

Het eerste compliment aan Abdelkader Benali moet al zijn dat hij, toen hij dit kinderboek schreef, niet zal hebben gedacht dat hij dat wel eventjes kon, schrijven voor kinderen. De toon van zijn vertelster is waarachtig en niet gemakzuchtig of kinderachtig – een val waarin gelegenheidskinderschrijvers maar al te vaak trappen, met slappe verhaaltjes en infantiele toontjes tot gevolg (ik doel op recente pogingen van wetenschapper Louise O. Fresco en BN’er Monique Westenberg).

Het verhaal van Mijn broer en ik is allesbehalve slap: bescheiden van omvang, maar rijk van inhoud. Benali (1975) voegt een welkom gedachte-experiment toe aan de kinderliteratuur. Eigenlijk moet een (jonge) lezer van tevoren niet weten wat ik hier nu wel moet vertellen, te weten: het grote geheim dat je lezend samen met Amira over haar broertje Adam ontdekt. In een bloedhete zomer weigert hij steeds te zwemmen, hij zegt vanwege zijn vage medische toestand, waarvoor hij ook vaak een onduidelijke dokter bezoekt. Als ze tóch zorgt dat hij in het zwembad plonst, begint hij raar stijfjes te praten: ‘Zoals gezegd, het chloor is niet goed voor mij. Mijn systeem raakt ervan in de war.’

Adam is het prototype van een zeer menselijke robot, zonder dat zijn zus dat weet – en eigenlijk hóéfde ze het ook niet te weten. Benali doseert die onthulling vaardig, maar weefde vanaf het begin al prettige dubbelzinnigheden door het verhaal, door gesprekjes in te lassen over de ideale robot, die ook menselijk is. Amira beweert dat het onderscheid erin zit dat een mens ‘juist niet altijd doet wat je moet doen. Dat zou een robot ook moeten kunnen’ – wat Adam absurd vindt, maar met zijn plons in het zwembad later wél onderstreept. Als het gaat over robots en humor, concludeert Adam dat robots ‘niet aan grappen doen’, wat met de kennis van later toch nog een goede mop wordt.

Het is Benali om de gedachten te doen: Mijn broer en ik werd geschreven ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie en is inderdaad een ideeënnovelle die aanleiding biedt om erover door te peinzen of praten, en zo wat vat te krijgen op het onderwerp kunstmatige intelligentie. Kun je van een robot houden als van een mens? Die vraag maakt Benali behapbaar voor kinderen, hij antwoordt er niet moralistisch op, én heeft niet op nuances bezuinigd. Mijn broer en ik is bovendien als verhaal levendig en spannend genoeg: wanneer Adams geheim onthuld is, blijkt hij zo menselijk dat Amira hem niet geformatteerd wil laten worden – wat daadwerkelijk voelt als een grimmig gevaar. Het sterkst is nog de spanning die even ontstaat als Amira zélf voor robot wordt aangezien, een indrukwekkend levensechte, die immers hevig protesteert als ze middels een lange injectienaald ‘stand-by’ gezet gaat worden.

Ja, dat is óók een keihard sciencefictioncliché, en inderdaad kun je zo’n verhaal moeilijk origineel noemen – maar de spannende vragen die Benali in zo kort bestek en zo veelkantig opwerpt, blijven absoluut hangen.