Opinie

Wie mogen we bedanken voor al die bomen langs de grachten?

Auke Kok

Mei is de maand waarin Amsterdam een beetje gênant wordt. In de andere maanden van het jaar kun je er al van alles over zeggen, maar in mei breekt ook nog eens het groen door aan de takken langs de grachten. Dan wordt het eigenlijk te gek voor woorden. De gordel maakt zich op voor het uitje dat zomer heet en stift haar bomen elegant groen. Nog niet het donkere verzadigde groen van juli, maar lekker sappig groen dat zegt, hier is het fijn. Wandel langs mij, peddel langs mij, kom zitten in mijn schaduw op de kade.

Het fascinerende is dat de grachten er met die duizenden iepen niet sexier op worden, integendeel. Das precies de bedoeling. De bomen maken dat de grachtengordel geen Venetië is, maar mooier dan dat, of beter gezegd, menselijker. Decadentie vonden de zeventiende-eeuwse regenten natuurlijk niet de bedoeling, ze wilden een prettig woonklimaat en daar heeft het stadsbestuur voor gezorgd. Maar nu mijn vraag: wie moeten we ervoor bedanken?

De bomen maken dat de grachtengordel geen Venetië is, maar mooier dan dat, of beter gezegd, menselijker

Tot laat in de zestiende eeuw waren de kades leeg en halverwege de zeventiende eeuw stonden er ineens overal linden (later iepen). Raar toch? Laat je hierbij niet misleiden door die beroemde schilderijen van Gerrit Adriaensz. Berckheyde. Zoals hij omstreeks 1670 de Gouden Bocht weergaf, zo was het niet. Prachtig natuurlijk, die stadspaleizen aan de Herengracht, weldadig pronkend met hun classicistische gevels, van top tot teen te bewonderen want nergens een boom te zien. Maar Berckheyde liet de jonge boompjes die er wel degelijk al stonden weg. Hij wilde de architectuur blijkbaar laten shinen en dat lukte volledig. Sta ik me nu te verlustigen waar hij zijn schetsen maakte, op de brug in de Vijzelstraat naast het Stadsarchief, blik richting Leidsestraat, dan lijkt de Gouden Bocht architectonisch minder schitterend dan toen. Oorzaak: al het groene heerlijks dat daar wuivend in de lentebries mij het zicht op de luisterrijke koopmanshuizen deels ontneemt.

Het briljante – en het unieke – blijkt te zijn dat de bestuurders in hun plannen vooraf al uitgingen van bomenrijen. In de meeste andere binnensteden kwam het verlangen naar groen pas toen het al te laat was, maar in Amsterdam werd zonder dralen als het ware in 1600 al GroenLinks gedacht. En voor deze ‘grootste systematische aanplant van stedelijk groen die zich ooit had voorgedaan’, om de dissertatie van Jaap Evert Abrahamse (2010) te citeren, kan ik niemand in het bijzonder aanwijzen. Nergens in De grote uitleg van Amsterdam – Stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw een initiatiefnemer om op een sokkel te plaatsen. Ergens wel jammer. Het was „stadswerk”, schrijft Abrahams, „net als de meeste bruggen”.

Het bestuur hoopte simpelweg dat de boomwortels de grond zouden stabiliseren en dat al het groen zou dienen „tot ciraat van de stad ende het schutten van de son”. Zo kwamen ze tot de „volcomen stadt” waar de reizigers zich in de Gouden Eeuw over verbaasden, en nu nog steeds.

Auke Kok is schrijver en journalist.
Lees ook dit artikel uit 2017: Het sneeuwt weer iepenzaadjes in Amsterdam