Recensie

Recensie Beeldende kunst

Werken van een organische harmonie

    • Lucette ter Borg

Kunstenaarsechtpaar Kobro en Strzemiński mag in Polen een status hebben die te vergelijken is met Mondriaan bij ons, buiten de grenzen zijn ze veel minder bekend. Daar moet en kan nu verandering in komen.

Katarzyna Kobro, Ruimtelijke compositie 6, 1931, geverfd staal, collectie Muzeum Sztuki.
Katarzyna Kobro, Ruimtelijke compositie 6, 1931, geverfd staal, collectie Muzeum Sztuki. Beeld Muzeum Sztuki

We kunnen het allemaal zo goed begrijpen: het elan, het idealisme en de opgetogen, soms totaal humorloze rechtlijnigheid die daarmee samen hing. Toen Polen – dat eeuwenlang een soort leengewest was geweest van Pruisen, Oostenrijk en Rusland – in 1918 uit de puinhopen van de Grote Oorlog kroop en een natie werd, moest het land niet alleen staatkundig opgebouwd, maar moest er ook een compleet nieuwe samenleving ontstaan: met nieuwe gebouwen, nieuwe gebruiken, samenlevingsvormen, nieuwe industrie, nieuwe vormgeving en nieuwe kunst.

Voor veel te vroeg gestorven kunstenaars als Katarzyna Kobro (1898-1951) en Wladyslaw Strzemiński (1893-1952), aan wie nu een overzichtstentoonstelling is gewijd in het Gemeentemuseum in Den Haag, vormde de Tweede Poolse Republiek een kleine achttien jaar lang een ideale speelvijver. Polen was de plek waar ze hun gedachten en idealen over een nieuw te vormen, op modernistische leest geschoeide samenleving tot uitdrukking konden brengen. Ze verbeeldden die idealen in schilderijen, sculpturen, architectonische ontwerpen, vormgeving, manifesten, tentoonstellingen en nog veel meer. Maar met de inval van de nazi’s in 1939, de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de daarna volgende sovjet-overheersing veranderde alles.

Buiten de grenzen minder bekend

In Den Haag vormt de tentoonstelling over het kunstenaarsechtpaar Kobro en Strzemiński een voortzetting van een reeks overzichtstentoonstellingen met werk van twintigste-eeuwse kunstenaars die bij het grote publiek redelijk onbekend zijn. Voor Kobro en Strzemiński geldt dat in het bijzonder: de twee mogen dan in het huidige Polen een status hebben die te vergelijken is met Mondriaan bij ons, buiten de grenzen zijn ze veel minder bekend. Daar moet en kan nu verandering in komen.

De tentoonstelling is chronologisch opgezet. De internationale context waarbinnen het echtpaar functioneerde – met sterren als Malevitsj, El Lissitzky, Arp, Vantongerloo en natuurlijk Mondriaan – is niet binnen de tentoonstelling zichtbaar gemaakt. Dat is jammer, omdat de ambitie van de twee oorspronkelijk in Rusland geboren kunstenaars, veel verder reikte dan de landsgrenzen.

De prachtig uitgewogen, van alle kanten zich anders aan de kijker presenterende en in heldere, primaire kleuren geverfde Ruimtelijke Composities bijvoorbeeld, die Kobro tussen 1929 en 1932 maakte, gaan onomwonden in gesprek met Mondriaans neo-plasticistische werken. Net zo zijn de biomorfe, zoet gekleurde zeegezichten van Strzemiński uit de eerste helft van de jaren dertig niet denkbaar zonder de invloed van de amoebe-achtige beelden die Jean Arp rond die tijd in Parijs en Straatsburg maakte.

Radicale ideeën

Duidelijk wordt in Den Haag hoe de radicale ideeën van Kobro en Strzemiński zich ontwikkelden maar ook weer te gronde gingen. Een schilderij, zo stelde Strzemiński in zijn in 1918 gepubliceerde Unistisch Manifest mocht niet meer zijn dan een plat vlak bedekt met verf. Alles dat probeerde meer te zijn dan dat – denk aan dynamiek, driedimensionaliteit en met name symbolische of realistische verwijzingen – moest verworpen worden: dat was verwerpelijke ‘barok’ en ‘dramatische pathos’, schreef Strzemiński. Een schilderij, beeldhouwwerk, maar ook een architectonisch ontwerp moest een nieuwe, innerlijk consistente ruimte representeren die gebaseerd was op mathematische principes. De organische harmonie, die veel van het werk van het echtpaar uit die ‘felle’, avantgardistische jaren twintig en dertig kenmerkt, diende volgens de twee een groter doel: het stond model voor de inrichting van de samenleving in haar geheel.

Die samenleving ontstond nooit. De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog veranderden hun werk essentieel en bruut. Kobro legde zich toe op het maken van een klein aantal vrouwelijke, naakte beelden, en stopte toen met kunst. Strzemiński verwerkte de verschrikkingen van de vernietigingskampen in lyrische fotocollages. Zijn ‘vlek’-tekeningen zijn symbolisch en surrealistisch van toon.

Het sociale weefsel dat de twee als ideaal voor zich hadden gezien, rafelde uiteen en verwaaide in de storm die de nieuwe machthebbers om zich heen creëerden. Het werken werd de twee onmogelijk gemaakt. Ziekte, honger en verwaarlozing deden de rest.