Veel eigenaren keerden nooit meer terug

Exlibris Veel in de oorlog vermoorde Joden waren ooit de trotse eigenaar van een exlibris, een etiket voorin een dierbaar boek. Die kunstwerkjes zijn nu te zien.

Exlibris van Joseph Gompers met man verpletterd door hakenkruis. Kunstenaar Fré Cohen, 1936.
Exlibris van Joseph Gompers met man verpletterd door hakenkruis. Kunstenaar Fré Cohen, 1936.
Exlibris Annie Gerzon. Maker onbekend.

De herinnering levend houden aan de Joden die nooit terugkeerden uit de Duitse concentratiekampen, dat is onder andere de bedoeling van de expositie van Joodse exlibris in het Allard Pierson Museum. Vijftig exlibris ofwel boekmerken vormden ooit evenzovele bescheiden maar trotse bewijzen van iemands boekenbezit. Ook meer recente exlibris zijn vertegenwoordigd. Ter gelegenheid van de Nationale Dodenherdening is de expositie te bezichtigen tot en met 12 mei.

Exlibris Johannes van Dam, culinair journalist. Dichtregel door Apollinaire. Kunstenaar Joost Swarte, na 1960.

In vitrines liggen de exlibris uitgestald, van bekende en minder bekende Joodse Amsterdammers, onder wie Benno Premsela, Johannes van Dam, Theo Olof en ontwerpers als Helmut Salden, Willem Sandberg en een Portugees-Joodse kunstenaar als Samuel Jessurun de Mesquita, die in 1942 in Auschwitz de dood vond. De grafische kunstenaars die de vignetten maken – de exlibriscultuur is nog steeds levendig – zijn grootmeesters op de vierkante centimeter en weten een wereld van symboliek en betekenis op te roepen. Joodse symbolen als de Davidsster, een gebedsrol en de Menorah, de zevenarmige kandelaar, komen veelvuldig voor. Maar ook aangrijpende oorlogsbeelden van een hakenkruis dat een man vermorzelt of een weegschaal die goed en kwaad afweegt.

Een exlibris is een bescheiden prent of etiket dat voorin een boek wordt geplakt met naam of initialen van de eigenaar, verrijkt met een kunstige illustratie. De boekenbezitter vraagt een kunstenaar om een passende afbeelding. Van een enkele prent worden soms vele afdrukken gemaakt.

„We zijn redders van boeken en van hun bezitters, wier leven door de Shoah plots is afgekapt”, zeggen samenstellers Chris Kooyman en Jan Aarts. De nazi’s hebben niet alleen geprobeerd de Joden fysiek uit te roeien, maar ook hun cultuur te vernietigen. Kooyman: „Het doel van deze kleine expositie is dan ook tweeledig: we willen de in het niets verdwenen mensen weer een plaats in de geschiedenis geven met behulp van hun exlibris, waarmee ze zich aan de buitenwereld presenteerden. Anderzijds willen we een deel van hun cultuur vastleggen en dus behouden.” In die zin handelen Kooymans en Aarts naar wat in de Talmoed geschreven staat: iemand sterft tweemaal; eerst als hij doodgaat, dan als hij vergeten wordt. Zij handelen „tegen het vergeten” door het exlibris van een verhaal en achtergrond te voorzien. Wie was de eigenaar of eigenares? Wie is de kunstenaar? Wat drukt het exlibris uit? De tentoonstelling moet gezien worden „als een daad van piëteit jegens al die op tragische wijze verdwenen, verloren levens die Nederland op 4 mei gedenkt”.

Zoveel levens die eindigen met plaats en jaartal in Auschwitz 1944, Sobibor 1943, Kamp Amersfoort 1942

Twee jaar geleden publiceerden Kooyman en Aarts Dit is mijn boek, een monumentaal boek van 1.500 bladzijden waarin 1.747 Joodse exlibris van 1.350 Joodse eigenaars zijn verzameld, dat dient als basis van de tentoonstelling. Bijna twintig jaar hebben zij aan de publicatie gewerkt. Kooyman: „Er zijn zo’n 250.000 exlibris door onze handen gegaan. Hier in Amsterdam struinden we rommelmarkten en antiquariaten af, maar we gingen ook naar New York en Tel Aviv. De meeste boeken met een exlibris vonden we op het Waterlooplein. Ook werden we gewaarschuwd door handelaren: kijk, hier is een exemplaar met een exlibris.” Vertaald betekent exlibris „uit de boeken van” of „uit de boekerij van”. (De auteurs houden de traditionele spelling aan, dus exlibris zowel voor enkelvoud als voor meervoud, niet exlibrissen.) Weliswaar ligt hun accent op Joodse exlibris, maar de gewoonte een boek van een exlibris te voorzien was – en is – onder boekenbezitters algemeen gebruik.

„Met een exlibris toont de eigenaar zich aan de wereld”, zegt Aarts. „Hij of zij – er zijn opvallend veel Joodse vrouwen met een exlibris – kiest voor een illustratie die iets zegt over zijn of haar leven. Zo’n boekmerk komt tot stand in samenwerking met een kunstenaar. Ons boek besteedt extra aandacht aan 75 Joodse kunstenaars. De illustratie zegt iets over het beroep of de belangstelling van de eigenaar, maar vooral heeft een exlibris een symbolische betekenis.”

Door nazi’s geroofde boeken

Veel van de exlibris die Kooyman en Aarts verzamelden zijn afkomstig uit door de nazi’s geroofde boeken. Na de oorlog, meteen in 1945, vond in Offenbach „misschien wel een bizar te noemen evenement plaats”, vertelt Kooyman. Offenbach was het verzamelpunt van miljoenen geroofde boeken. Ze werden op eindeloze lopende banden gesorteerd om ze, mede met behulp van het exlibris, terug te bezorgen aan de eigenaars.

Door Kooymans werkzaamheden voor het Joods Maatschappelijk Werk in Amsterdam en zijn demografisch onderzoek naar Joden in Nederland heeft hij volop kennis verworven om zowel de kunstenaars als de eigenaars te traceren.

Kooyman: „Een exlibris heeft beslist een artistieke waarde, maar dat is niet ons belangrijkste uitgangspunt. Het criterium is dat de eigenaar Joods moet zijn, dat betekende voor ons minimaal een Joodse moeder of vader. Onze belangstelling is vooral cultuurhistorisch bepaald: we proberen daarom tevens aan de hand van een exlibris de Joodse boek- en leescultuur in kaart te brengen. Vaak gaan we als detectives te werk en proberen de biografie van de eigenaar te achterhalen, en als het kan de kunstenaar. Als er alleen initialen op een exlibris staan, wordt dat lastig, maar soms schept een opdracht in een boek meer duidelijkheid over iemands identiteit. Als er een datum in staat, is dat bijna altijd een verjaardag. Ook kunnen we aan de hand van iemands beroep de beroepenlijsten uitpluizen. Ook de kunstenaars hebben we vaak kunnen achterhalen. Dankzij gesprekken met eventueel nog levende boekbezitters of hun nabestaanden kunnen we de levensverhalen in kaart brengen. We deden dat over heel de wereld, van New York en Amsterdam tot in Israël. Vaak bij mensen thuis, soms telefonisch of in een etablissement.”

Het is vaak aangrijpend in Dit is mijn boek de levensdata van de boekbezitters te lezen; zoveel levens die eindigen met plaats en jaartal in Auschwitz 1944, Sobibor 1943, Kamp Amersfoort 1942.

Opvallend is hoeveel vooraanstaande beroepen in de exlibriscultuur vertegenwoordigd zijn: hoogleraren, fabrieksdirecteuren, leraren, artsen, redacteuren. Volgens Kooyman gold dat vooral voor de Duits-Joodse vluchtelingen die na 1933 en de Kristallnacht op 10 november 1938 naar Nederland ontkwamen en soms van hieruit naar Palestina of Amerika wilden gaan. Alleen bemiddelde Joden konden zich een leven in ballingschap veroorloven; de Nederlandse Joden in de voormalige Jodenbuurt rondom het Waterlooplein waren aanzienlijk minder vermogend.

Dramatisch getekend

Elk exlibris vertelt een levensverhaal. De samenstellers wijzen op dat van C. Kroonenberg, die in 1944 naar Westerbork werd gedeporteerd en vandaar naar Bergen-Belsen. Hij overleefde het kamp en keerde in 1945 terug naar Amsterdam. Op zijn dramatisch getekende exlibris zien we een dubbele rij prikkeldraad achter een deurpost. Smalle, verticale lichtstrepen suggereren de barakken. Erboven een lichtbundel in de vorm van V, Vrijheid. De maker is onbekend.

Met liefdevolle aandacht wijzen de samenstellers op het exlibris van historicus Jacques Presser, auteur van de indrukwekkende studie Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. „Het is aan Presser te danken dat ik me voor exlibris en voor geschiedenis ging interesseren”, legt Jan Aarts uit, die bij Presser studeerde. Aarts noemt een exlibris een „egodocument op het snijvlak van de geschiedenis en persoonlijk levenslot”. Hoe bescheiden van afmetingen een exlibris ook is, voor wie er eenmaal door gefascineerd raakt is het boeiend er op te studeren en vooral te interpreteren.

Exlibris Jacques Presser met symbolen uit zijn persoonlijke leven. Maker onbekend, in elk geval voor 1942.

Aarts heeft zich bekwaamd in de symboliek van de exlibris, die tot ontwikkeling kwam halverwege de 17de eeuw en voortkwam uit heraldieke wapens. Hij legt uit wat we allemaal zien op het exlibris van Presser, die tijdens de razzia’s een boekenverzameling telde van zesduizend titels. Hij raakte bijna alles kwijt. Op de prent zien we de bibliotheek terug. De kat is zijn lievelingsdier. Het Egyptische tablet links verwijst naar zijn lessen aan het Vossius Gymnasium over Egypte en rechts zien we de klok van de Westertoren en een zonnewijzer, symbolen van de tijd. De Vikingschepen en de Amsterdamse grachten hebben betrekking op zijn onderwijsjaren; de inktpot en ganzenveer op zijn schrijverschap.

Exlibris van Simon van Frank met in groen de kaart van Palestina van voor 1947. Maker onbekend, na 1945.

Veel exlibris zijn zwart-wit, maar er zijn natuurlijk ook tal van gekleurde bij, zoals het zeer fraaie van Simon van Frank waarop Palestina groen gekleurd is als het Beloofde Land. Ernaast staat een dorre boom met een afgebroken tak. Maar toch groeit uit die boom een groene loot. Uiteindelijk, zo vertelt ons deze tentoonstelling, overwint toch de hoop op nieuw leven, ondanks de jaren van verschrikking, deportatie, vervolging en verdelging van de Joden, om de woorden van Presser aan te halen.

Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 129, Amsterdam. T/m zondag 12 mei. Inl: www.allardpierson.nl; www.exlibriswereld.nl
Jan Aarts en Chris Kooyman, Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland. Uitgeverij De Buitenkant, 1.492 blz. Prijs € 88,-.