Opinie

    • Ellen Deckwitz

Tot er schaarste is

Jaarlijks geef ik in de aanloop naar de dodenherdenking workshops waarbij jongeren een gedicht moeten schrijven over de Tweede Wereldoorlog. In de praktijk is dat vaak meer geschiedenis- dan schrijfles, omdat de meeste leerlingen de oorlog niet uit de eerste hand kennen. Waar iemand van mijn bouwjaar nog een grootmoeder had die als ooggetuige je ongevraagd inwijdde in de duistere kant van de mens, kent de jongste lichting de oorlog slechts uit films en games, waar goed en kwaad duidelijker afgebakend zijn dan tijdens de oorlogsjaren. En zo begon ik deze week een groep vierdeklassers maar weer eens uit te leggen wat we komende zaterdag herdenken, en vooral waarom.

„Ja jeetje, weer die oorlog”, riep een jongen meteen. „Kom op, zoiets gaat nu echt niet meer gebeuren.”

„Doe je huiswerk”, zei de surveillante, „Momenteel is bijna eenderde van alle landen ter wereld verwikkeld een of andere oorlog.”

„Ik bedoel in normále landen”, mompelde de jongen. „Wij zijn hier echt niet meer zo achterlijk als die lui vroeger hoor.”

Ik telde in mezelf tot 666. Het is een verschijnsel dat ik de laatste jaren wel vaker tegenkom bij leerlingen: de overtuiging dat hun voorouders, zelfs zij die slechts drie generaties van hen afstaan, in moreel opzicht een soort schuimbekkende wilden waren. Veel van mijn leerlingen beschouwen zichzelf als ethisch verantwoorder dan de generaties voor hen, waarbij ze voor het gemak maar even vergeten dat zij zich nooit in omstandigheden hebben bevonden waarin ze moesten kiezen tussen diverse kwaden. Dat iets wat je goed bedoelt desastreuze gevolgen kon hebben. Hoe afschuwelijk het was om te moeten kiezen tussen veiligheid en rechtvaardigheid.

Nadat ze een uurtje hadden gewerkt, stak een van de leerlingen haar hand op. Of ze mocht trakteren omdat ze jarig was ofzo. Ze deelde van die mini-Snickers uit, wat me enigszins verbaasde omdat ik dacht dat jongeren tegenwoordig doodsbang waren voor suikers, transvetten en E-nummers, maar de klas juichte.

„Heej”, zei de trakteerder terwijl iedereen blij aan het chocola kauwen was, „ik heb er nog een paar over, wil iemand er nog eentje?”

Ze hield de zak omhoog, en in een flits verdrong de hele groep zich om haar heen. Er werd geroepen, aan mouwen getrokken, gesnauwd, geduwd. De jonge ogen glansden van hebzucht, de graaiende handen flitsten in het bleke aprillicht.

„De mens kan tot in hoge mate beschaafd blijven”, zei mijn grootmoeder altijd, „tot je honger krijgt.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.