Pater Theo zag wat mensen nodig hadden

Theo Beusink (1932- 2019)

Op Tweede Paasdag overleed Theo Beusink, beter bekend als Padre Theo. „Ze kwamen aan hun pater vragen: hoe los ik het op?”

Theo Beusink (Pater Theo) richtte Casa Migrante op, met spreekuren en taallessen voor Spaanstalige migranten.
Theo Beusink (Pater Theo) richtte Casa Migrante op, met spreekuren en taallessen voor Spaanstalige migranten. Foto Patrick Post

Tijdens de Duitse bezetting was het in het ouderlijk huis van ‘Padre’ Theo Beusink zo vol, dat de onderduikers met hun slaapzakken tussen het hooi moesten slapen. Maar dan wij ook, zeiden zijn ouders. Er was altijd plaats, leerde Beusink, als mensen maar plaats maken. Later zou hij zeggen: „Wat niet kan, is nog nooit gebeurd.”

Bijna zijn hele volwassen leven zette Beusink zich in voor de Spaanstalige migrantengemeenschap in Nederland. Op Tweede Paasdag overleed hij, op 86-jarige leeftijd. „Heb de vreemdeling lief als jezelf; want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte (Leviticus 19,33)”, staat op zijn rouwkaart.

„We zijn als een grote familie bijeengekomen”, sprak parochiemedewerkster Toos Beentjes tijdens zijn herdenkingsmis maandag, in de overvolle St.-Nicolaaskerk in Amsterdam. Ze zegt het tweemaal: ook in het Spaans, want die taal spreekt het grootste deel van de aanwezigen.

Vanaf de vroege jaren ’60 organiseerde Beusink kerkdiensten voor de eerste arbeidsmigranten uit Spanje, en later ook voor Spaanstaligen uit Zuid-Amerika. Hij was net afgestudeerd in de Spaanse taal, eigenlijk om in Spanje onderzoek te doen naar Theresia van Avila en Johannes van het Kruis, toen hij, gekleed in zijn karmelietenpij, in Amsterdam door een Spanjaard werd herkend als priester. Wilde hij geen mis in het Spaans organiseren? Dat wilde hij wel, vertelt vriendin Tineke Groot. „Hij stapte op alles af waar hij zijn hulp kon aanbieden, en zijn zegje kon zeggen.”

Beusink was veel op de been, ook de laatste jaren. Vaak was hij te vinden in de Spaanse restaurants, ook in de rosse buurt. Spaans sprekende inwoners van de buurt en sekswerkers wisten hem al snel te vinden, zegt Groot. „Ze kwamen aan hun pater vragen: hoe los ik het op?” Je leeft niet alleen voor de mis, wist hij. „Je moet brood op de plank, een dak boven je hoofd. Theo zag meteen dat dat nodig was.” Om migranten te helpen een plaats te vinden in de Nederlandse maatschappij richtte Beusink Casa Migrante op, een open huis waar onder meer spreekuren worden gehouden en taallessen gegeven. Eerst bij hem thuis in de Concertgebouwbuurt – hij moest er zijn bed voor opklappen –, later in de Spaarndammerbuurt. Tegenwoordig huist het in de Van Ostadestraat in De Pijp.

Beusink werd geboren in Lichtenvoorde in de Achterhoek. „Hij was een markante inwoner van Amsterdam, maar bleef de boerenzoon die met zijn handen het liefst in de aarde zat”, zei Beentjes tijdens de herdenking. Dertien jaar zat Beusink in het klooster van de Karmelieten in Zenderen; in 1958 werd hij tot priester gewijd.

Groot was een van de weinigen die hem durfde tegen te spreken, zegt ze. „Hij had altijd gelijk. Hij kon ontzettend boos worden wanneer men tegen zijn zin in ging. Maar uiteindelijk draaide hij altijd wel bij.”

Na zijn pensioen bleef Beusink actief bij zijn Casa Migrante. Hij kreeg een lintje van de koningin en werd benoemd tot ereburger van Amsterdam. Later kreeg hij ook een Spaanse en Chileense onderscheiding. Maar waaraan hij het meest hechtte, waren de veertig rode rozen die hij kreeg bij het veertigjarig jubileum van zijn priesterschap. Een spontane actie van de sekswerkers op de Wallen. „Het betekende voor hem dat zij hem waardeerden zoals hij hen”, zegt Groot. Ook bij de mis zijn zij vertegenwoordigd. Ze zingen hartstochtelijk mee met de Spaanse liederen. „Alabare, alabare, alabare, alabare, alabare a mi Señor.”

Lees ook: De ‘kathedraal’ is terug