Over de oorlog werd niet gesproken, wél geschreven

Oorlogsdagboeken Bij het NIOD liggen zo'n drieduizend oorlogsdagboeken, geschreven door huisvrouwen, verzetslieden, tieners, onderduikers en NSB'ers.

Het dagboek van een Duitse soldaat, met een foto van zijn graf. Daarnaast een vertaling door een pater.
Het dagboek van een Duitse soldaat, met een foto van zijn graf. Daarnaast een vertaling door een pater. Foto Niels Blekemolen

‘Heimwee is iets heel ergsch”, noteert de Haarlemse postbode Gé van Wees op de eerste pagina van zijn dagboek in het straf- annex werkkamp in Wesseling, bij Keulen. Het is 10 september 1944, hij heeft die nacht slecht geslapen vanwege de kou. Onder de gevangenen heerst vlektyfus en een luizenplaag, ze hoeven daarom al vier dagen niet te werken in de fabriek.

Van Wees doodt de tijd met het schrijven van een verslag over zijn arrestatie, anderhalve maand eerder. Om aan de arbeidsinzet te ontsnappen had hij vrouw en twee kinderen verlaten en was ondergedoken bij een echtpaar in Heemstede. Toen daar midden in de nacht politie aan de deur kwam, was hij gevlucht maar al snel opgepakt. Via het doorgangskamp Amersfoort belandde hij in Wesseling, waar hij het dagboek begint. Hij zal het bijhouden tot zijn vlucht zes maanden later. Hij schrijft over zijn tranen bij vertrek uit Haarlem, de angst over wat hem te wachten staat in het volgende kamp, de honger en kou, maar vooral: de verterende heimwee.

Het dagboek is doordesemd van het verlangen naar zijn kinderen Hans en Leny en zijn vrouw Rie, die in verwachting is van de derde. Elke dag kijkt hij uit naar de avond, omdat hij dan zijn ogen kan sluiten en zich verbeeldt dat hij thuis is. Dan voelt hij Rie in zijn armen, ziet hij haar in gedachten met de melkbus in de weer en de konijnen voeren. 5 november 1944: „Vooral de laatste dagen ga ik veel te veel aan jullie denken en moet ik ’s nachts meer dromen als goed voor me is.”

Het dagboek van Gé van Wees bevindt zich sinds kort in de collectie oorlogsdagboeken van het NIOD, het instituut voor oorlogs- holocaust- en genocidestudies in Amsterdam. Al tijdens de oorlog, in maart 1944, riep minister Gerrit Bolkestein van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen Nederlanders op hun belevenissen op te schrijven. Alle verslagen bij elkaar zouden „een groot, waarlijk nationaal werk” worden, zo kondigde hij aan.

Pagina uit het dagboek van Gé van Wees, met daarnaast het door familie gemaakte boekje. Foto Niels Blekemolen

Schatkamer

Het meteen na de oorlog opgerichte NIOD (toen nog het RIOD) begon met het verzamelen van de oorlogsdagboeken, geschreven door huisvrouwen, verzetslieden, tieners, onderduikers, dwangarbeiders en NSB’ers. Soms aangevuld met plattegronden, tekeningen en krantenknipsels en vanwege de papierschaarste geschreven in een agenda en zelfs op sigaretten- of toiletpapier. De collectie telt inmiddels zo’n drieduizend exemplaren, opgeslagen in een van de geklimatiseerde en beveiligde kelders van het NIOD aan de Herengracht in Amsterdam.

Lees ook: Historicus Gerard Aalders: ‘Ik beweer nooit zomaar iets’

Gertjan Dikken, die de dagboeken voor het NIOD in ontvangst neemt, gebaart naar de rijen dozen. „Mijn schatkamer.” Toen hij tien jaar geleden bij het NIOD kwam werken, voorspelden zijn collega’s dat het snel gebeurd zou zijn met zijn baan. Oorlogsdagboeken, dat was een aflopende zaak. Maar dat hadden ze mis. De collectie groeit nog steeds: Dikken neemt zo’n honderdvijftig dagboeken per jaar in ontvangst.

De schenkers zijn niet per se de schrijvers : haalde hij de dagboeken in de beginjaren nog op bij mensen die de oorlog bewust hebben meegemaakt, tegenwoordig ontmoet hij vooral de kinderen daarvan. Niet bij hen thuis, maar op het NIOD. Dikken: „De babyboomers zijn bang dat hun kinderen het dagboek later weggooien en willen dat het bewaard blijft. Zij staan het bovendien makkelijker af dan hun ouders omdat de emotionele band ermee kleiner is.”

Het NIOD neemt in principe alleen het origineel aan, geen overgetypte versie. Het is historisch erfgoed. En aan overtypen kleven risico’s. Dikken: „Iemand kan het wel verzonnen hebben, of er kunnen fouten in geslopen zijn. Bovendien willen historici altijd het origineel kunnen raadplegen.” Ook de aangeleverde context van de dagboeken is van grote waarde: van wie is het dagboek, waar en wanneer is het geschreven. „Een toerist bood eens een dagboek aan dat hij gevonden had in een container. Zonder naam, datum en plaatsaanduiding. Dan is het voor ons moeilijker de context vast te stellen.”

De meeste dagboeken in de collectie gaan over alledaagse beslommeringen tijdens de bezetting. De stijgende voedselprijzen, het sprokkelen van brandhout, een bezoek aan de bioscoop. Dikken noemt het voorbeeld van een boer uit de Betuwe die de veeprijzen op de zwarte markt noteerde. „Interessant voor een onderzoeker die wil weten wat de ontwikkeling van de veeprijzen in de oorlog was.” Glimlachend: „Hij verborg het boekje telkens in de grond, het ziet er niet uit.”

In principe worden alle dagboeken beschreven en beschikbaar gesteld voor onderzoekers en andere belangstellenden. Op den duur worden ze gescand en zijn ze ook online te bekijken. Sommige dagboeken zijn uit privacy-overwegingen alleen in te zien na toestemming van de directeur van het NIOD, bijvoorbeeld als de nabestaanden de inhoud te pijnlijk vinden. Dikken: „Als vader NSB’er was bijvoorbeeld. Zoveel jaar later overheerst toch nog vaak de schaamte bij de volgende generatie, ook al draagt die geen verantwoordelijkheid.”

„Hij praatte er nooit over”, hoort Dikken vaak van nabestaanden. Zo ook bij de familie Van Wees. „Over de oorlog werd niet gesproken”, zegt zijn dochter Verne van Wees (71). „Van het geld van de Wiedergutmachung kochten mijn ouders een televisie, maar zodra er iets over de oorlog werd uitgezonden, ging hij uit. Mijn vader vluchtte naar zijn volière als hij het te kwaad kreeg.” Zijn kinderen wisten dat hun vader in de Duitse kampen een dagboek had bijgehouden. Maar de stapel dichtbeschreven velletjes bleef jarenlang onaangeraakt in de linnenkast, gewikkeld in paars vloeipapier. Een verboden vrucht. Toen zijn oudste zoon het dagboek tevoorschijn haalde en ermee naar zijn moeder ging, reageerde zij afwijzend: „Daar hebben we het later wel over, leg maar terug.”

Maar zover kwam het nooit. Na het overlijden van hun ouders ondernamen de kinderen een halfslachtige poging orde aan te brengen in de velletjes en het handschrift te ontcijferen. Dat bleek zo lastig dat ze het weer weglegden. Tot in 2015, tijdens de herdenking van zeventig jaar vrede, de kleinkinderen belangstelling kregen. „Er was toch een dagboek van opa?” Een van hen, Laura Kuipers, begon geduldig met het ontcijferen en uittypen van de verslagen, haar vader Arjen Kuipers ploos de feiten na en zorgde voor een samenhangend geheel. Met hulp van een bevriende grafisch ontwerpster maakte de familie er een boekje van, dat samen met het origineel naar het NIOD ging.

Sneeuw in kamp Schwitten

De laatste keer dat Gé van Wees zijn potlood natmaakt om te schrijven is 19 januari 1945. Er ligt een pak sneeuw in Schwitten, het vierde achtereenvolgende kamp. De omstandigheden zijn relatief goed. Als ‘vrij arbeider’ werkt hij op een graanmolen en keert hij ’s avonds soms met een zak meel terug naar het kamp, goed voor pannenkoeken en pap. Af en toe pikken de arbeiders wat van het land, aardappelen of spruitjes, of bedelen ze bij de bewoners. Langzaam komt er weer wat vet op zijn botten. Hij kan zich sinds lang zowaar weer in zijn vel knijpen. Maar bijna zes maanden kou, honger, gebrek aan hygiëne, ziekte en luizenplagen hebben hem uitgeput.

Een week eerder is een Hollandse jongen bezweken tijdens het werk in een steengroeve, de zevende op rij in Schwitten. Gé denkt er al een paar dagen over te vluchten, maar is bang te worden gepakt. Vandaag schrijft hij dan toch over zijn besluit een poging te wagen, samen met kampgenoot Harm. Ze zullen zich de volgende dag eerst nog laten knippen en scheren. „Want we moeten er toch een beetje behoorlijk uitzien.”

Een of twee dagen later vluchten de twee mannen per trein naar Munster, vanwaar ze de tocht lopend naar West-Nederland vervolgen. Harm wordt onderweg door Hollanders doodgeschoten, onder welke omstandigheden is niet duidelijk. Gé keert ongedeerd terug naar zijn gezin in Haarlem. Maar hij zal tot de nacht van zijn dood op 5 mei 1995 gekweld worden door nachtmerries over de oorlog.

Gertjan Dikken durft niet te voorspellen wanneer de stroom oorlogsdagboeken zal opdrogen. „In 2050 misschien? Als er weer een generatie is uitgestorven?” Hoelang hij dit werk zelf nog kan doen, vraagt hij zich wel af. „Al die verhalen breken me soms op.” Hij vertelt over een van de eerste schenkingen die hij in ontvangst nam, een dagboek van een zeventienjarige Duitse soldaat, gevonden door, toentertijd, een tiener. „De soldaat was net doodgeschoten. Het boekje lag op de rand van het schuttersputje, naast zijn scheergerei. De vinder heeft het met alle respect bewaard in een glazen vitrine en het uiteindelijk aan mij gegeven. Een jongen van zeventien wordt doodgeschoten. Zo’n dagboek maakt de waanzin van de oorlog heel tastbaar.”