Maakbaar dus oh zo praktisch

Welkom in Nederland Josephine Rombouts woonde vijf jaar in Schotland. Deel vijf van een korte serie over wat haar opvalt nu ze weer terug in Nederland is.

Illustratie Merel Corduwener

Ik kon links of rechts om het water. Had de Nederlandse landschapsarchitect die rond het kantoorgebouw zijn gang had mogen gaan, bedacht. Hij had gekozen voor een plas water, vierkant, met een vlonderpad in een rechte hoek eroverheen, en een ander pad in een flauwe bocht erlangs.

Ik nam de vlonders over het water.

Het water was ondoorzichtig groen met aan de uiterste randen wat voorzichtige riethalmen. Ik denk dat die, net als ik, niet zeker wisten of het de bedoeling was dat ze de rechthoeken van de waterkant zouden verbreken.

Voor me liep een groep mensen die op weg was naar hetzelfde kantoor als ik, ze hadden kantoorkleren aan die het ook heel best deden op de smetteloze vlonder, er was niets in het werk van deze landschapsarchitect dat de suède veterschoenen of hoge hakken kon ontregelen.

Terug in Schotland: ik zag het groepje tieners al uit de verte, de witte overhemden van hun schooluniformen staken fel af tegen het groen op de heuvels erachter.

„Sorry jongens, er lag een boom over de weg.”

„We dachten al zoiets”, zei het oudste meisje zonder merkbare opwinding, „daarom waren we vast gaan lopen”. De kinderen die op het schiereiland groot waren geworden, hadden het allemaal al eens meegemaakt, bomen over de weg, overstromingen, insneeuwen. De import, zoals onze zonen, nam het na een paar seizoenen ook vanzelfsprekend aan: de weg van en naar school had niets vanzelfsprekends. Ze gooiden hun schooltassen achterin en ik reed de slingerende weg af. De eerste tiener zette ik af bij een brug over de rivier.

„Thank you very much for the lift. Have a nice day.”

„Ehm, yes, you too.” Ik bleef een beetje overdonderd als kinderen sneller met beleefdheden kwamen dan ik.

Behalve dat er van alles op de weg kon komen te liggen, hadden de kinderen ook geaccepteerd dat het heel lang duurt voor je van A naar B komt, omdat de weg zich moest voegen naar dingen die er al eerder waren: bergen, rotsblokken, rivieren en ravijnen. Het huis van dit meisje lag niet aan een verharde weg, het was een rotsachig pad dat zo slecht was dat je er met vijf kilometer per uur op kon voortkruipen en dan nog waren de gaten zo diep dat je grote kans had dat je auto het niet overleefde. Dus zetten we haar af bij de brug. Pech voor haar, maar een half uur extra rijden en kans op panne was een te groot risico om iedere dag te nemen. Ik zag haar met haar rugzak de steile weg naar de brug opklimmen.

In het kantoor gekomen zoefde ik met de lift omhoog naar de zevende etage. Daar betrad ik de ontvangsthal, waar een vrouw met een wit ding in haar oor achter een computer zat en me de kamer wees waar ik mijn Nederlandse taaltraining kon gaan geven.

In de lesruimte zag ik dat er geen mogelijkheid was om ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ met mijn cursist te spelen. Alle voorwerpen in de kamer waren wit. De kamer was wit, de borden waren wit, de flipovers, tafels en stoelen, allemaal wit. Het grote raam keek uit over Rotterdam, een grit van rechte lijnen van wegen, flats en huizenblokken.

Op de witte tafel zette ik mijn laptop klaar en wachtte op mijn cursist.

Aan de schotel schurken

Mijn laatste cursist in Schotland was een Schotse consultant geweest. Hij wilde jammer genoeg geen Nederlands leren maar Duits. Omdat hij een klus had in Duitsland en wilde weten wat de Duitse bestuursleden tijdens de vergadering met elkaar smiespelden, wat niet door de tolk werd vertaald. Hij nam aan dat ik ook Duits zou spreken omdat ik Nederlands was – en ik nam aan dat ik hem wel steeds een les voor kon blijven. Dus zo kwam het dat ik iedere dinsdagmiddag naar zijn boerderij toog om Duitse les te geven. Naast consultant was hij ook schapenboer. De lessen moesten zich dus aanpassen aan het lammerseizoen, de dagen dat de Highland Games werden gehouden en de dagen dat hij in Londen, Sydney of New York was. Of Duitsland.

„Dus, er zijn in het Duits zes manieren om ‘the’ te zeggen”, stelde hij gelaten vast. De gekkigheid van mensen op het continent was al langer bekend op het Britse eiland.

„Ja. Voor ieder woord moet je dus weten of het mannelijk, vrouwelijk of neutraal is. Dat zoek je op in het woordenboek.” We zaten in zijn studeerkamer, waar de grove stenen muren van de eeuwenoude boerderij waren gecombineerd met moderne designmeubelen en degelijk antiek. Zijn bureau was antiek en enorm en erop stond een glimmende iMac.

„Zoek bijvoorbeeld ‘het boek’ op in het Duits.” Gehoorzaam typte hij het in. Er gebeurde niets in het virtuele woordenboek. „Oh, geen internet”, zei hij en draaide zich om naar het raam om de heuvel af te turen.

„Storing?”, vroeg ik.

„Waarschijnlijk een hert.” Hij keek weer uit het raam. „We hebben een schotelantenne. Er zit een beschot omheen, maar soms lukt het er toch een om erop te gaan staan en dan gaan ze zich aan de schotel schurken of het vel van hun gewei eraan afschrapen. Het is er de tijd van het jaar voor.”

„Waarom staat die schotel niet dichter bij huis?”

Hij keek me even aan of ik nog wel bij de les was. „We hebben geen signaal hier omdat de hoge heuvels de straling blokkeren”, legde hij geduldig uit. „Daarom heb je ook geen mobiel bereik. De schotel staat zo hoog mogelijk op de heuvel om de straling op te vangen.”

We keken naar het glinsterend witte scherm dat uitdrukkingsloos terugstaarde. Hij reikte achter zich en produceerde een papieren Engels-Duits woordenboek. „Boek, zei je, hier, das Buch.”

Behoorlijk ontdaan

Mijn cursist in Rotterdam kwam precies op tijd de leskamer binnenstappen en we gingen aan de witte tafel zitten met onze laptops die steeds maar bereik bleven houden. Of het nu winter was of zomer, of de herten nu nieuwe geweien kregen of niet. Zelfs als het water een poging zou doen om te bevriezen zou er niets gebeuren op de rechte vlonder. Er zat al een reliëf in de planken, zodat je er bij gladheid toch goed op kon lopen.

Mijn zoons waren er behoorlijk van ontdaan dat zelfs als het sneeuwde de regelmaat van de dagen niet zou worden doorbroken. Er kon altijd nog met de auto naar school gereden worden. En er viel ook maar zo’n petieterig beetje sneeuw dat het alle hoop de bodem insloeg van een goede week ijsvrij. Overstromingen, bomen over de weg, kuddes schapen, ik had ze verteld dat ze er niet op moesten rekenen dat de komende zes jaar iets hun schoolgang zou gaan verstoren.

Ik keek door het raam naar buiten op de rechte wegen. Het was spannend, dat je alles kon voegen naar een menselijk plan. Erg nuchter en praktisch ook. Het sinterklaasfeest dat tot nu toe voor een dag chaos op school had gezorgd, was op de middelbare school van mijn kinderen afgeschaft.

„Wat deden jullie dan?”, vroeg ik aan mijn jongens.

„We hadden een themales over obesitas en er kwam een jongen over zijn diabetes vertellen.”

Maakbaar. Alles lijkt maakbaar in Nederland.

Josephine Rombouts is de auteur van Cliffrock Castle, Werken op een kasteel in Schotland, een boek over haar belevenissen als huishoudster op een Schots kasteel. Ze woont nu weer in Nederland. Josephine Rombouts is een schrijverspseudoniem.