Het muurgedicht in de Czaar Peterstraat

Het gedicht ‘Ik heb ze lief’ van Margerite Luitwieler in de Czaar Peterstraat is, denk ik, het bekendste muurgedicht van de stad. Een mooi gedicht bovendien. Het vond zijn muur in 2003, inclusief de spelfout die het vers een heel eigen charme gaf. In de Van Miereveldstraat zou zoiets niet kunnen, maar in de rafelige Czaar Peterstraat had het wel wat: ‘Ik heb ze lief/ de plekken waar het tocht/ wanneer je er de bocht/ omgaat/ Geef mij maar de achterkant/ van huizen en gebieden/ waar elke groene spriet/ omringt door scheve stenen/ de droge grond uitschiet/ Het onbedoeld gemaakt/ gebied.’

In 2008 was het gedicht ineens weg. Per ongeluk overgeschilderd, kan gebeuren, hoewel per ongeluk vaak definitief wordt in dit soort gevallen. Maar de poëzie was sterker dan de witkwast en in het voorjaar van 2009 keerde ‘Ik heb ze lief’ terug op zijn muur. Geheel aangepast aan de inmiddels aanzienlijk minder rafelig geworden Czaar Peterstraat, zonder spelfout dus.

Toen mijn geliefde en ik in het begin van de jaren zeventig in de Czaar Peterstraat woonden, was van rafels geen sprake. Zoals iedereen in de straat woonden wij in een krot. Als het plafond niet naar beneden kwam, zakte je wel door de vloer, veel de straat op dus. Na het ijsje bij de melksalon aan de overkant, liepen we onder het viaduct van het spoor de Rietlanden in, waar altijd wat te doen was. Verlaten huizen, vervallen hijskranen, gezonken schepen en overal rails waarop door grote locomotieven druk gerangeerd werd. En daar ergens tussenin, altijd weer onverwacht het van God verlaten graf van Keesje Brijde, het jongetje uit de Benkoelenstraat dat hier samen met zijn vriendje Floris Gouloze in de hongerwinter kooltjes kwam zoeken en op woensdag 13 december 1944 met een jachtgeweer werd doodgeschoten door een NSB’er. Keesje was dertien.

Bakker J. Schagen uit de Javastraat schreef als Rijmelaar het ‘In Memoriam’, dat op een velletje papier getikt in een lijstje aan het kruis op het graf gespijkerd zat: ‘Kooltjes rapen voor zijn Moeder./ ’t Ventje deed al vroeg zijn best./ En hij was zijn broertjes’ hoeder/ Tot die kogel kwam te lest…// Kleine Amsterdamsche jongen,/ Kleine deugniet van de straat,/ Deze wensch op alle tongen:/ God straffe de onverlaat.// Die met zijn vervloekte wapen/ Kleine kinderen niet ontzag!/ En jou voor wat kooltjes rapen!/ Stuurde naar dat kille graf……’.

Na veel omzwervingen hebben kruis en gedicht hun plaats gevonden in het Kees Brijdeplantsoen, waar sinds 2000 jaarlijks een dodenherdenking plaatsvindt.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.