Geboren in Westerbork: boksend de oorlog door

Boksen in Westerbork Joop Waterman (75) is geboren in het concentratiekamp waar zijn vader gedwongen werd wedstrijden te boksen. Een reis terug naar zijn geboorteplaats.

Joop Waterman spreekt de kaddisj uit tijdens de Dodenherdenking in Westerbork in 2010.
Joop Waterman spreekt de kaddisj uit tijdens de Dodenherdenking in Westerbork in 2010. Foto Sake Elzinga/HH

Kamp Westerbork, tik ik als bestemming in op het navigatiesysteem. „Heb je dat nodig? Ik kan de route dromen, hoor”, zegt Joop Waterman. Op 17 augustus 1943 kwam Waterman ter wereld in het concentratiekamp. We rijden terug naar zijn geboorteplaats.

„Mijn moeder was hoogzwanger toen Duitsers haar, mijn vader en broer arresteerden”, vertelt Waterman (75) terwijl we wegrijden.

Sander Waterman, de vader van Joop, was bokser. Hij werd in 1942 gearresteerd omdat hij persoonsbewijzen vervalst zou hebben. Kort nadat Sander Waterman in Westerbork aankwam, moest hij tegen een Duitse officier vechten. „Mijn vader ging het gevecht vol aan”, vertelt Joop. „Zoals hij na de oorlog zei: ‘de kans om een Duitser op zijn gezicht te timmeren, laat ik me niet ontnemen.’”

Pas weken later is de officier hersteld. Hij wil revanche. Waterman heeft, in tegenstelling tot de Duitse officier, niet getraind en slecht gegeten. Hij krijgt een ongenadig pak slaag. „Dat heeft mijn vader nooit kunnen verkroppen”, vertelt Joop. „‘Die vuile mof….,’ verzuchtte hij. Verder vertelde hij weinig over die tijd. Misschien maar goed ook, dat ik dat niet weet.”

Twintig jaar geleden keerde Waterman voor het eerst terug naar Westerbork, toen hij uitgenodigd werd de jaarlijkse lezing op Dodenherdenking uit te spreken. Tot op de dag van vandaag spreekt Waterman er op 4 mei de kaddisj uit. De dagen dat hem in Westerbork het zwijgen werd opgelegd, zijn voorbij.

Spijt

De eerste keer dat Waterman de kaddisj uitsprak, herinnert hij zich goed. Uren later werd hij gebeld. Zijn moeder lag op sterven. „In het holst van de nacht reed ik terug naar Amsterdam, maar het was te laat.” De avond dat Joop voor het eerst in zijn leven het dodengebed voorlas, overleed zijn moeder.

Hij heeft er spijt van nooit met haar naar Westerbork terug te zijn gegaan. „De moeite die ze gehad moet hebben om me te baren, en me daar in leven te houden… Zonder voeding. Zonder medicijnen. Zonder eten. Wel slaag.”

Westerbork was in 1939 door Nederlanders gebouwd om Joodse vluchtelingen uit Duitsland op te vangen. Van juli 1942 tot april 1945 gebruikten de Duitsers het kamp als doorgangskamp; vanuit Westerbork werden ruim honderdduizend Joden naar Auschwitz en Sobibor gedeporteerd. Slechts vijfduizend van hen overleefden de oorlog.

Een paar jaar geleden bezocht Waterman een tentoonstelling op Westerbork. Er hing een affiche van een boksavond. 25 september 1943, ’s avonds om acht uur, tien wedstijden. Eén van de gevechten: zijn vader, S. Waterman, 56 kilo, tegen F. Touboul, 64 kilo. Waterman schrok. „Ik werd geconfronteerd met bewijs. Het was dus echt gebeurd.”

Een Joodse knokploeg

Joop Waterman (links) en zijn twee jaar oudere broer Sal.

Foto privéarchief Joop Waterman

In de jaren 1930 steeg boksen in aanzien binnen de Joodse gemeenschap. Door het opkomende fascisme groeide de behoefte onder de Joodse bevolking om zichzelf te kunnen verdedigen. Onder Amsterdamse Joden was vooral Olympia populair. Er ontstond een hechte groep Joodse boksers, die tijdens de Tweede Wereldoorlog een knokploeg vormden tegen de NSB. Op 11 februari 1941 kwam het tot een gevecht. Een prominent NSB-lid werd doodgeslagen, vele Joodse boksers werden opgepakt. Waterman haalt zijn portemonnee tevoorschijn en laat een kaartje zien met geboorte- en sterfdata en jaartallen van transporten. Hij draagt het altijd bij zich. „Dan kan ik het nooit vergeten.”

11 januari 1944. Waterman is vijf maanden oud als het gezin op transport moet, naar Bergen-Belsen. „Er was geen voedsel. Mijn moeder vertelde dat we gras aten en dat ze soep maakte van brandnetels. Een wonder dat ze ons in leven konden houden, veertien maanden lang.” Op 9 april 1945 wordt familie Waterman vanuit Bergen-Belsen opnieuw op transport gezet. Veertien dagen zitten ze opgesloten in goederenwagons. Joop Waterman: „Er lag wat stro op de vloer, een emmer stond in de hoek voor de behoeften, en doden werden aan de kant geschoven zodat de rest meer ruimte had, vertelden mijn ouders later.” Op 23 april 1945 kwam de trein aan in het Oost-Duitse plaatsje Tröbitz. Toen Russische troepen de trein ontdekten, dachten ze een Duits troepentransport te betrappen. Terwijl de Russen hem onder schot hielden, liep Waterman als driejarige de vrijheid tegemoet.

Na de oorlog was de sfeer op de lagere school vaak vijandig. „Ik hoorde regelmatig: ‘je bent een rotjood, ze zijn je vergeten te vergassen’. Het leed was allesbehalve voorbij. Ik moest vechten om mee te mogen spelen met andere kinderen.” Zijn vader stuurde Waterman vanaf zijn tiende naar de boksschool. „‘Zorg dat je de eerste klap uitdeelt’, zei hij altijd.”

„Als mijn vader boos was, kreeg hij een rood waas voor zijn ogen”, vervolgt Joop. „We kregen thuis flinke tikken. Gelukkig was ik niet zoals mijn vader. Aan de andere kant: hij is in de oorlog zoveel kwijtgeraakt, dat hij na de oorlog niets meer over zich heen liet komen.” Gaandeweg leerde Waterman de bokssport waarderen. „Het heeft me over problemen heen geholpen. Dankzij het boksen voelde ik me veiliger in het dagelijks leven.”

Volgens experts waren Joodse boksers razendsnel in de ring. Ben Bril was net als Sander Waterman lid van Olympia, en al op zijn vijftiende Nederlands kampioen. Hij vertegenwoordigde Nederland op de Olympische Spelen van 1928. Over Bril werd gezegd dat zijn kapsel na een wedstrijd net zo verzorgd zat als ervoor. De parallel met het vermijden van conflicten ligt voor de hand. Het is inherent aan de Joodse identiteit, meent Waterman. Altijd op je hoede, altijd waakzaam.

Bokslessen in de keukenbarak

Het verbeteren van de weerbaarheid was de reden voor Bril om in de keuken van het kamp stiekem bokslessen te organiseren voor jonge jongens. Bril werkte in de keuken als vleeshouwer en kreeg van kampcommandant Albert Gemmeker toestemming om gymnastieklessen te geven. Onder meer Gerhard Durlacher kreeg er als veertienjarige jongen training. Jaren na de oorlog schreef Durlacher over de bokslessen in zijn boek Quarantaine: „Soms zijn sporen van de oorlog vaag als oude vingerafdrukken op een boek, vaker doen ze denken aan de diepe groeven die rupsbanden in de aarde gekerfd hebben.” In augustus 1943 bokst Durlacher een wedstrijd, zonder succes: zijn gezicht lag open „als een stad zonder afweergeschut”. In januari 1944 kwam er een einde aan de bokslessen. Ben Bril werd naar Bergen-Belsen gedeporteerd.

Lees ook: Ad van Liempt ontmaskert ‘de kille leugenaar’ van Westerbork

Toen Waterman voor het eerst terugkeerde in Westerbork, was hij verbaasd. „Ik zag ANWB-bordjes die de richting naar Westerbork aangaven. Voor mij was het louter een concentratiekamp geweest, ik had me nooit gerealiseerd dat het ook een dorp was, dat er ook mensen wonen.”

Op aanwijzing van Waterman rijden we richting de plek waar het kamp stond. „Goh, wat ken ik de weg toch goed hier”, zegt Waterman. Een smal bospad slingert tussen loofbomen en heidevelden. Het is er bedrieglijk mooi; een schuldig landschap, om met Armando te spreken. Het wordt stiller om ons heen, en dan stil. Het huis van kampcommandant Gemmeker doemt op, de slagboom ernaast, en daarachter, als twee vermanende vingers, de omhoog gebogen rails. Waterman vindt het niet gek om terug te zijn. „Ik ben hier zo vaak geweest. Het is raar om te zeggen, maar: ik voel me er thuis, jongen. Ik ben hier op mijn plek.”

Zaterdag 4 mei is er een uitzending van Andere Tijden Sport over het joodse boksen, 22.40 op NPO 1. Op 5 mei is de herhaling om 23.10, eveneens op NPO 1.