‘Ons huidige economische model is psychologisch en ecologisch onhoudbaar’

Interview | Vrijemarktfilosoof Govert Buijs Economie gaat niet alleen over groei, werk is niet alleen efficiënt produceren. Denk er eens over in termen van welzijn, kwaliteit en creativiteit, zegt hoogleraar Govert Buijs.

Foto Andreas Terlaak

‘Psychodruk’ noemt Govert Buijs de toenemende spanningsklachten onder de Nederlandse beroepsbevolking. „We jakkeren maar door omdat we bang zijn dat we anders onze kansen verspelen, dat we losers worden.”

Stress is volgens Buijs maar één van de onwenselijke gevolgen van het ontspoorde vrijemarktdenken. Grondstoffen die op raken, vervuiling; we gaan volgens hem een tijd van ingrijpende transities tegemoet. Die kunnen niet slagen „zolang we intellectueel gehuwd blijven met de homo economicus”.

Als bijzonder hoogleraar politieke filosofie en levensbeschouwing onderzoekt Buijs (54) de effecten van de vrijemarkteconomie. Hij is mede-auteur van Het goede leven en de vrije markt dat onlangs de Socrates Wisselbeker won voor het meest urgente filosofieboek. In zijn nieuwe essay Waarom werken we zo hard? Op weg naar een economie van de vreugde pleit hij voor een economie die beter is voor mens en milieu.

Wat is die economie van de vreugde en hoe kan ik daar vanmiddag mee beginnen?

Buijs barst in lachen uit. „Nou, als je mijn essay een beetje gelezen hebt, weet je dat ik geen zelfhulpboek heb geschreven. Met ‘economie van de vreugde’ bedoel ik een samenwerking die erop gericht is het leven mooier te maken – mooier dan we afzonderlijk van elkaar zouden kunnen.

„Ons huidige economische model is psychologisch en ecologisch gezien onhoudbaar. Psychologisch omdat het ons stress bezorgt, ecologisch omdat we dit productieniveau niet nog eens tweehonderd jaar kunnen volhouden. We doen te veel, en niet de goede dingen.”

Sinds de Industriële Revolutie heeft zich volgens Buijs een economische groei voltrokken die nooit eerder in de geschiedenis is vertoond. „De armoede is drastisch afgenomen, de voedselproductie toegenomen. Maar met het recept dat daarvoor ontwikkeld is, kunnen we niet nog eens twee eeuwen verder.”

Om die vrolijke economie dichterbij te brengen, moeten we op een fundamenteel andere manier naar de economie, de markt en werk gaan kijken, meent Buijs. Zo moeten er andere criteria komen voor wat een ‘goede economie’ is dan groeicijfers alleen. Hij noemt dit de „dematerialisering” van de economie.

Lees ook het interview met econoom Geert Noels, die betoogt dat het kapitalisme wordt geteisterd door de drang naar almaar groter en meer

„Hoe de economie ervoor staat, is nu gerelateerd aan de productie van materie: Volkswagen wordt beloond als het meer auto’s heeft gemaakt. Misschien moeten we gaan zeggen: Volkswagen doet het goed omdat het bedrijf erin is geslaagd minder auto’s te maken dan vorig jaar, maar ze gaan wél veel langer mee. Nu wordt zo’n bedrijf dan door aandeelhouders afgestraft. We moeten onze waarden opnieuw definiëren.”

Buijs oppert dat bedrijven met een soortgelijke index zouden kunnen werken als The Better Life-index van de Oeso, de organisatie van 37 rijke, geïndustrialiseerde landen. Die meet het persoonlijke welzijn in verschillende landen op basis van onder meer gezondheid, huisvesting en opleiding. „Ze kunnen dan kijken wat hun positieve én negatieve effecten zijn op het milieu, kijken naar het welzijn van hun medewerkers, naar de positieve en negatieve bijdragen aan de buurten en samenlevingen waarin ze opereren. Daar worden nu onder de naam integrated reporting al stappen in gezet.”

Volgens Buijs zou het mooi zijn arbeidsprocessen niet alleen vanuit het oogpunt van efficiency te ontwerpen, maar zo dat iedereen het gevoel heeft iets waardevols te doen. „Werk is niet alleen maar een kostenpost, het is ook een consumptiegoed: we ontlénen er ook heel veel aan. Hoe komt het dat we een enorme druk blijven leggen op iets dat ook in de sfeer van ontspanning en creativiteit kan zitten?”

Hoe komt het dat welzijn en kwaliteit ondergeschikt zijn geraakt?

„In de achterliggende twee eeuwen is het idee van de homo economicus centraal komen te staan: de mens als calculerend wezen dat zijn oneindige eigenbelang najaagt, desnoods ten koste van anderen. Daar hoort ook het idee bij van een economie die is gebaseerd op schaarste, waarin mensen elkaars concurrenten zijn. Er moet altijd méér worden geproduceerd. Binnen economie-opleidingen is dit neoliberale denken met kracht in de nieuwe generaties gepompt. Economen doen alsof we geen alternatief hebben, maar dat hebben we wel degelijk.”

De mens is volgens Buijs niet in de eerste plaats een homo economicus, maar een ‘homo cooperans’: „We zijn hulpbehoevend omdat we niet alles zelf kunnen. Om een potlood te maken, hebben we bijvoorbeeld behoorlijk wat mensen nodig. Ook ontwikkelen we unieke talenten. De één doet wat de ander niet kan en omgekeerd.”

Die diversiteit en onderlinge afhankelijkheid zijn volgens Buijs de kern van economie. „We verfraaien het leven voor elkaar. En kijk je naar de geschiedenis van de economie, dan zie je dat deze opvatting al centraal stond in de achttiende-eeuwse burgerlijke cultuur in de steden.

„Als mensen tweehonderd jaar geleden iets konden bedenken om armoede en honger grootschalig aan te pakken, moeten we nu ook vernieuwend kunnen denken over verduurzaming. Dáár zou de creativiteit van economische wetenschappers gericht op moeten zijn: wat is het kapitalisme van overmorgen? Het zou van visionair beleid getuigen als Nederland daar een groot onderzoeksproject van zou maken.”

Hoe blijf ik zelf een vrolijk lid van de beroepsbevolking?

„Laat je niet gek maken, en blijf bijleren. Bij het schaarstedenken van de homo economicus hoort ook de angst dat er niet genoeg banen zijn. Maar een van de opvallendste dingen die ik in mijn onderzoek ontdek: er ontstaan altijd weer nieuwe kansen.

„Ik heb mijn leven lang gehoord: dáár worden mensen ontslagen, dáár worden mensen ontslagen. Eerst verdween de mijnindustrie, toen de textielindustrie. Als ik die berichten bij elkaar optel, werkt niemand meer in Nederland. Nu is er weer angst voor robotisering. De andere kant haalt zelden het nieuws: namelijk dat er in diezelfde jaren nog veel meer nieuwe banen bijgekomen zijn! We zijn enorm creatief in het verzinnen van banen die iets toevoegen.”

Een voorwaarde om die kansen te benutten is regelmatig bijleren. „Het is vreemd dat we nu al ons onderwijs persen in de eerste twintig levensjaren. In de toekomst zullen we dat veel meer over de levensloop moeten verdelen, bijvoorbeeld eens in de zeven jaar een jaar eruit, bij- of omscholen. Dan heb je verse kennis, en blijf je aantrekkelijk, ook op oudere leeftijd.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.