Recensie

Recensie

Nog steeds staan barbaarse horden op het punt Europa te overstromen

Judeo-bolsjewisme In de jaren twintig van de vorige eeuw ontstond de mythe dat elke Jood een bolsjewiek was, die de kapitalistische wereld wilde vernietigen. Hitler maakte die mythe tot een van de speerpunten van zijn ideologie.

Illustratie: Cyprian Koscielniak

In 1920 reisden twee Franse schrijvers, de gebroeders Jérôme en Jean Tharaud, vier maanden lang door Hongarije om onderzoek te doen voor hun boek Quand Israël est roi (Wanneer Israël koning is), dat een jaar later zou verschijnen. Hongarije is een land in chaos na de Eerste Wereldoorlog, het heeft tweederde van zijn grondgebied verloren, er volgen twee revoluties, de tweede brengt kortstondig de bolsjewieken onder leiding van Béla Kun aan de macht, die overigens later in opdracht van Stalin vermoord werd. Daarna komt een bloedige contrarevolutie die de oude Hongaarse elite weer in het zadel helpt.

De gebroeders Tharaud schrijven over de bolsjewieken: ‘Op de oevers van de Donau verscheen een nieuw Jeruzalem, ontsprongen aan het brein van Karl Marx en gebouwd door Joodse handen op oude (messianistische) gedachten.’ De gebroeders Tharaud juichten dit ‘nieuwe Jeruzalem’ zeker niet toe, integendeel, ze vreesden het verval van het Westen, maakten zich zorgen om de vitaliteit van de Europese, lees: christelijke beschaving – ach, hoe weinig is er veranderd – en richten hun angsten en fantasieën op één vijand: het judeo-bolsjewisme.

In zijn belangrijke boek A Specter Haunting Europe: The Myth of Judeo-Bolshevism voert historicus Paul Hanebrink de gebroeders Tharaud op als een van de vele voorbeelden waaruit blijkt dat lang voor de nazi’s aan de macht kwamen de mythe dat de Jood en de bolsjewiek één en dezelfde waren, beter gezegd dat het communisme een Joodse uitvinding was om wereldheerschappij te verkrijgen, zich overal in Europa had verspreid. Zoals Hanebrink schrijft: ‘De bolsjewiek was tegelijkertijd een ontheemde Joodse emigrant, een binnenvallende horde uit het oosten en een Aziatisch beest.’ Maar het meest van dit alles de ontheemde Jood. Hanebrink stelt dan ook dat het geweld tegen Joden in Oost-Europa na de Eerste Wereldoorlog maar vóór Hitlers oorlog tegen de Sovjet-Unie (operatie Barbarossa, die op 22 juni 1941 begon) onlosmakelijk verbonden is met de mythe van judeo-bolsjewisme.

‘Aziatische horde’

De vraag of Joden onder de bolsjewieken oververtegenwoordigd waren acht Hanebrink irrelevant. Om te beginnen omdat de mythe, zo is gebleken, sterker is dan de feiten, en verder ook omdat dergelijke ‘oververtegenwoordiging’ onbewijsbaar is. Zo citeert hij twee onderzoekers over Polen in het interbellum: ‘Joden waren niet meer communist dan katholieke Polen.’ Dat sommige beroemde communisten van Joodse komaf waren, Trotski (Lev Bronstein), Radek (Karol Sobelsohn), de al eerdergenoemde Kun, voedde slechts de mythe. Maar ook daar weegt het verzinsel weer zwaarder dan het feit; Rosa Luxemburg was inderdaad Joods, haar kameraad Karl Liebknecht werd gemakshalve, maar ten onrechte, ook voor Jood aangezien.

Lees ook: Hoe het hedonistische Berlijn veranderde in de hoofdstad van het nazisme

Hitler was al een antisemiet voordat de mythe van het judeo-bolsjewisme door Europa waarde, maar, aldus Hanebrink, de mythologische kracht van het judeo-bolsjewisme heeft Hitler groot gemaakt. De chaos en het geweld, zowel van de communisten als van de contrarevolutionaire rechts-radicale milities tijdens en na het korte bestaan van de radenrepubliek in München (mei 1919) maakten de Duitse en vooral de Beierse bevolking bijzonder vatbaar voor angst voor de ‘Aziatische horde’ die Duitsland omver dreigde te lopen met zijn goddeloze en barbaarse ideologie. Eeuwenoude antisemitische vooroordelen konden moeiteloos worden gecombineerd met de vrees voor bolsjewistische (lees: Joodse) anarchie en geweld.

Maar angst voor bolsjewisme was niet uitsluitend een Duitse en ook niet uitsluitend een fascistische aangelegenheid. Conservatieve intellectuelen in Duitsland maakten zich in de jaren twintig al zorgen om het teloorgaan van het ‘authentieke Duitsland’, de vijanden waren het materialisme, de massacultuur, kortom dat wat nog altijd ‘de moderne tijd’ wordt genoemd en de ‘uitwassen’ van deze tijd waren volgens hen door de Jood naar Duitsland gebracht. Om deze vijand een nieuwe naam te geven bedachten zij het begrip Kulturbolschewismus (cultuurbolsjewisme).

Ondergang van Frankrijk

De kerken, zowel de protestanten als de katholieken, zagen in het communisme en het atheïstische karakter ervan een bedreiging en sloten zich met meer of minder enthousiasme bij de fascistische en rechts-radicale retoriek aan, waarbij oude antisemitische clichés van pas kwamen. De bolsjewiek was een nieuwe vijand, de Jood was dat al eeuwenlang, hoewel ook vanuit de kerken dissidente stemmen te horen waren, zoals de katholieke filosoof Dietrich von Hildebrand, die Duitsland was ontvlucht en vanuit Wenen het nazisme én het communisme probeerde te bestrijden. En in 1937 veroordeelde de paus zelf zowel het communisme als het nazisme, al was de zwaarste veroordeling gereserveerd voor het communisme.

De rechtsradicalen en fascisten in Frankrijk zagen in de door hen gehate sociaaldemocratische premier Léon Blum, van Joodse komaf, het symbool voor de ondergang van Frankrijk. Ook hier werden Joden en bolsjewieken aan elkaar gelijkgesteld. De intellectueel Lucien Rebatet schreef in zijn pamflet Les décombres (De ruïnes) dat Joden en de politici van de Derde Republiek (1870-1940) verantwoordelijk waren voor de ondergang van Frankrijk.

Lees ook: ‘De propaganda van Goebbels beïnvloedt ons nog steeds’

De al te reële brutaliteit van de bolsjewieken was een behulpzaam propaganda-instrument voor de fascisten. Toen Goebbels in 1943 hoorde dat er massagraven waren ontdekt nabij Katyn, waar Stalins geheime politie (de NKVD) 20.000 Poolse officieren had afgeslacht, besloot Goebbels de antisemitische propaganda een graadje hoger te zetten (hochkitzeln). In de propaganda werd gesproken over ‘Joods-bolsjewistische moordenaars’, die de Polen ‘als beesten’ behandelden. Robert Brasillach, collega van Rebatet, schrijvend voor de beruchte antisemitische krant Je suis partout, reist op uitnodiging van de nazi’s naar Katyn en concludeert dat de Fransen net zoals de Poolse officieren zullen worden afgeslacht als de Duitsers de oorlog zullen verliezen. (Brasillach werd op 6 februari 1945 geëxecuteerd wegens ‘intellectuele misdaden’.)

Zionisten

Maar ook na 1945 blijft het spook door Europa waren. Om te beginnen in Oost-Europa, waar de plaatselijke bevolking de communistische regimes veelal als een buitenlandse Fremdkörper ziet. Om het nationale karakter van het communisme te benadrukken en de lokale bevolking te paaien komt de Jood als vijandbeeld opnieuw van pas. Al in 1948 schreef de Poolse communist Wladyslaw Gomulka aan Stalin dat sommige van de ‘Joodse kameraden’ geen enkele band hebben met de Poolse natie.

Twintigduizend Joden verlaten Polen in 1968.

In 1968 verklaart Gomulka, dan president van Polen, nadat hij geconfronteerd is met studentenprotesten, dat Joden en zionisten speciale ‘verantwoordelijkheid dragen voor de wetteloosheid en vergissingen van de stalinistische tijd.’ Joden worden uit de partij gezet, ontslagen en opgeroepen het land te verlaten. Twintigduizend Joden verlaten Polen.

In het Westen moet de strijd tegen het communisme worden voortgezet, maar het antisemitisme is niet langer salonfähig. In 1946 houdt Konrad Adenauer, de architect van het naoorlogse West-Duitsland, een speech in Keulen voor de net opgerichte CDU, waarvan hij de leiding heeft. Hij verklaart dat alleen het christelijk-westerse (christlich-abendländische) wereldbeeld voor een wedergeboorte van Duitsland kan zorgen. In Robert Schuman (Frankrijk) en Alcide de Gasperi (Italië) vindt hij bondgenoten.

Terreur

De strijd tegen het communisme wordt opgetuigd als een strijd tegen het totalitarisme waarbij nazisme en communisme gemakshalve aan elkaar worden gelijkgesteld, de strijd wordt gevoerd vanuit een christelijk-Europese beschavingsethiek, die al snel een Joods-christelijke beschaving wordt genoemd, een concept bedacht door de Amerikaanse theoloog Niebuhr. Joden, eeuwenlang vijand nummer één in Europa, worden nu op mythologische wijze ingezet om de strijd tegen ‘Aziatische horden’ oftewel de bolsjewieken ietwat beschaafder voort te zetten.

De Historikerstreit in de jaren tachtig in Duitsland plaatst het judeo-bolsjewisme weer in het centrum van het publieke debat als de historicus Ernst Nolte verklaart dat de terreur van de nazi’s tegen Joden, communisten en andersdenkenden slechts een antwoord op Stalin is. Hij noemt de misdaden van de nazi’s een ‘Aziatische’ daad en meent dat de Joden Hitler de oorlog hadden verklaard.

Na de val van de Muur duikt het judeo-bolsjewisme levendig op in Oost-Europa als communistische terreur wordt vergeleken met de wandaden van de nazi’s en de vraag of de bolsjewiek en de Jood hetzelfde zijn urgent wordt. Geweld tegen Joden voorafgaand, tijdens en soms ook ná de Tweede Wereldoorlog door de plaatselijke bevolking wordt vergoelijkt door te wijzen op het geweld van de bolsjewieken.

Syrische vluchtelingen

In 2000 publiceert de historicus Jan Tomasz Gross zijn boek Buren, waarin hij de pogrom in de zomer van 1941 in het Poolse stadje Jedwabne beschrijft waar Polen circa 300 Joden, mannen, vrouwen en kinderen, levend hebben verbrand. De historicus Antoni Macierewicz bekritiseert Gross en verdedigt de Polen door te stellen dat Joden fungeerden als ‘de vijfde colonne’ van Stalins Rode Leger en de Polen ‘vreselijk haatten’.

Hanebrink eindigt zijn boek in Boedapest, in de zomer van 2015, waar dan duizenden vluchtelingen uit Irak, Syrië en Afghanistan zijn gestrand. Net als toen de gebroeders Tharaud de stad bezochten, heerst er chaos en woedden identieke angsten in Europa.

Nee, de geschiedenis herhaalt zich niet, maar dezelfde cultuuroorlogen, die soms uitmonden in werkelijke oorlogen, worden langs dezelfde lijnen en soms met vrijwel dezelfde begrippen (cultuurbolsjewisme/cultuurmarxisme) gevoerd. De authentieke, christelijke Europese cultuur dreigt nog altijd te verdwijnen en nog steeds staan barbaarse horden met een goddeloze en gewelddadige cultuur op het punt Europa te overstromen, al komen ze niet meer uit het oosten, maar uit het zuiden en Midden-Oosten.

Lees ook: ‘Hedendaags extreem-rechts? Slimme jongens met een mediastudie’

Het maakt ook nauwelijks uit of men bevolkingsgroep X oververtegenwoordigd acht in de criminele statistieken of onder bolsjewieken. Het doel van dergelijke gelijkstellingen, of het nu om Joden en bolsjewieken gaat of om moslims en criminaliteit en terrorisme, is evident.

Hanebrinks boek maakt duidelijk hoe moeilijk, ja misschien wel onmogelijk het is de mythe met feiten te bestrijden. Geschiedenisonderwijs is lang niet altijd de oplossing, omdat dergelijk onderwijs veelal in dienst staat van de heersende ideologie.

Toch zou het onjuist zijn Hanebrinks goed geschreven en uitstekend gedocumenteerde boek wanhopig dicht te slaan. De oude spoken zijn niet weg, maar men moet hopen zoals men leeft: tegen beter weten in. Want zoals Hanebrink ook aantoont, er waren mensen en er zullen vermoedelijk altijd mensen zijn die weigeren in ondeugdelijke mythes te geloven, al hebben we het over een kleine, betrekkelijk machteloze minderheid.