Van de oorlog is op de Heemraadssingel maar weinig te zien

Herinnering Op de Heemraadssingel in Rotterdam is veel gebeurd in de oorlog, maar bijna niets herinnert daaraan. Moet geschiedenis zichtbaarder zijn?

De Rotterdamse wijk het Nieuwe Westen en de Heemraadssingel.
De Rotterdamse wijk het Nieuwe Westen en de Heemraadssingel. Foto Peter de Krom / Hollandse Hoogte

De familie Asch woonde op de Heemraadssingel 281b. Vader Kurt werd geboren in Stettin en moeder Jeanne in Antwerpen. Zij kregen drie kinderen, waarvan de oudste zoon in Antwerpen ter wereld kwam. In Rotterdam, waar zij in 1914 arriveerden, werden nog een zoon en dochter geboren.

Nummer 281 is een statig pand, zoals vele huizen aan de Heemraadssingel. De fraaie gevel verraadt niets van de angst en de wanhoop die zich tijdens de eerste jaren van de Duitse bezetting van het Joodse gezin Asch meester moet hebben gemaakt.

Slechts een Stolperstein in het trottoir voor de woning houdt enige herinnering levend. Die is gewijd aan oudste zoon Louis, dirigent van het Rotterdams Studenten Orkest en violist van het Rotterdamsch Philarmonisch: ‘Hier woonde Louis Sigismond Asch, geb. 1913, gedeporteerd 1942 uit Westerbork, vermoord 1.9.1942 Auschwitz’. Zijn ouders, broer en zus ondergingen hetzelfde lot.

De familie Asch was geen uitzondering. De Joodse bewoners van de Heemraadssingel moesten vluchten, doken onder, werden uit hun huizen verdreven, opgepakt en gedeporteerd. Een aantal panden werd door de Duitsers gevorderd om er bezettingstroepen in te kwartieren en administratieve onderdelen onder te brengen. Ook de NSB vestigde zich er. Voor het Nederlandse verzet was dat reden om op een paar van die panden aanslagen te plegen.

Zo kent de Heemraadssingel een bewogen oorlogsgeschiedenis. Maar het vreemde is dat – op die ene Stolperstein voor Louis Asch na – helemaal niets daaraan herinnert. Geen enkel monument, geen enkele plaquette toont wat zich hier tussen 1940 en 1945 heeft afgespeeld. Wie over de misschien wel mooiste singel van het vooroorlogse Rotterdam loopt, kan de indruk krijgen dat die er destijds net zo idyllisch bijlag als nu.

Is de Heemraadssingel exemplarisch voor een Rotterdam dat zijn (oorlogs-)verleden veronachtzaamt? Peter van Heemst, voormalig gemeenteraadslid en tegenwoordig stadsgids, vindt van wel. „Rotterdam gaat met een zekere nonchalance om met zijn geschiedenis”, zegt hij. „Er is wel aandacht voor, maar meestal uit particuliere hoek, dus min of meer toevallig en niet structureel.”

Brandgrens bombardement

Natuurlijk, er zijn de musea en de monumenten. Sommige particuliere initiatieven worden door de gemeente ondersteund, zoals de markering van de brandgrens van het bombardement. Elk jaar is er de herdenking bij Loods 24 aan de Stieltjesstraat, waarvandaan de Rotterdamse Joden in 1942 op transport werden gezet. Burgemeester Ahmed Aboutaleb spreekt jaarlijks bij de herdenking van de razzia van 10 en 11 november 1944, toen vijftigduizend Rotterdamse mannen werden opgepakt om dwangarbeid in Duitsland te verrichten. Ze werden opgesloten in de Kuip, waar bij de Olympiatribune een plaquette hangt die hieraan herinnert.

Plaquettes die kort het verhaal vertellen van de plek waar ze hangen, zijn er wel, maar veel te weinig, meent Van Heemst. „Iedereen die zich wil verdiepen kan van alles vinden in boeken en op internet. Ik zou willen dat verhalen uit de geschiedenis levend blijven door ze op straat te laten zien.”

Een voorbeeld zijn de negen gedenkplaten die halverwege de jaren negentig werden geplaatst op plekken die belangrijk waren in het Joodse leven in vooroorlogs Rotterdam. Een ervan hangt aan een pilaar van een voormalig bankgebouw aan het Weena, tegenover het gelijknamige café dat er tegenwoordig is gevestigd. Voor de oorlog lag hier de Helmersstraat, die het centrum was van het Joodse leven in de stad, en die door het bombardement werd weggevaagd.

De serie van negen is een uitzondering. De wethouder die destijds de plaquette van de Helmersstraat onthulde, Herman Meijer, zegt nu: „Rotterdam is slecht in het organiseren van het historisch geheugen, daar is nooit veel werk van gemaakt. Al was er maar een openbare registratie van gemarkeerde publieke plekken.”

Ook Meijer constateert dat de meeste initiatieven om geschiedenis en erfgoed te bewaken van particuliere zijde komen, om dan al dan niet door de gemeente te worden omarmd. „De systematische historische aandacht is er gewoon lang niet geweest”, zegt hij. „Dat paste niet bij de mentaliteit van de stad die zich voortdurend aan het ontwikkelen was, bij de stoerheid van altijd maar weer doorgaan met grote werken.”

Verhalen vertellen

Toch ziet Meijer een kentering, niet zozeer bij de gemeente, als wel onder de bevolking. Sinds de buitenwereld enthousiast is geworden over Rotterdam, lijken Rotterdammers trotser te zijn op hun stad. Dat uit zich ook in een toenemende historische belangstelling, vermoedt Meijer: „Alsof de wederopbouw is voltooid en er ruimte is ontstaan om terug te blikken. Dat merk ik bijvoorbeeld in het Verhalenhuis Belvédère.” Hij is daar voorzitter van het bestuur.

Verhalen vertellen is ook de insteek van Johan van der Hoeven, conservator van Museum Rotterdam ’40-’45 NU (voorheen Oorlogsverzetsmuseum) aan de Coolhaven. In het boek Vergeten Verhalen bundelde hij twee jaar geleden honderd Rotterdamse oorlogsherinneringen. Het verzamelen van die verhalen, in samenhang met de collectie, en die vervolgens doorgeven: daarin ziet Van der Hoeven de taak van het museum. Niet in het zichtbaar maken van het verleden op straat. „Dat is niet aan ons. De gemeente kan eventueel iets in de openbare ruimte doen.”

Los daarvan, zegt Van der Hoeven, waar begint en eindigt het? „Zeker, op de Heemraadssingel is heel veel gebeurd in de oorlog. Maar dat geldt voor meer plekken in de stad. Je zou heel Rotterdam kunnen volhangen met bordjes. Ik bedoel het niet negatief, maar er zijn nogal wat mensen die nooit op de Heemraadssingel komen. Door de verhalen op een andere manier te blijven vertellen, in boeken, in musea, via internet, geef je ze door aan een veel grotere doelgroep.”