Spreekt geen ‘koeterduitsch’

Ewoud Sanders

Met het oog op 4 en 5 mei diende de vraag zich aan of Nederlandse nationaal-socialisten tijdens de Tweede Wereldoorlog plannen hadden met betrekking tot het Nederlands. Het antwoord is ja en bij mijn weten zijn die het duidelijkst verwoord door Johannes van Ham. In 1944 publiceerde Van Ham bij de nationaal-socialistische uitgeverij De Schouw een boekje getiteld Taalpolitiek.

Van Ham was leraar Nederlands, redacteur van het protestants literair tijdschrift Opwaartsche Wegen en gepromoveerd. Vanaf 1941 was hij hoofd van de Afdeling Boekwezen van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. In die functie besliste hij onder meer over subsidies aan auteurs en over de papierdistributie. Dit maakte hem tot de machtigste censor die Nederland ooit op literair gebied heeft gekend.

In Taalpolitiek beschrijft Van Ham wat er volgens hem moest gebeuren met betrekking tot spelling, spreekvaardigheid, het schrijfonderwijs en taalzuiverheid.

„Een eerste eisch uit een oogpunt van taalpolitiek is eenheid van spelling”, aldus Van Ham. Hij propageerde een zo eenvoudig mogelijk spellingstelsel. Dat maakte het voor Duitsers ook makkelijker om Nederlands te leren.

In 1937 waren er zes grammofoonplaten uitgebracht waarop te horen was hoe het standaard-Nederlands diende te worden uitgesproken. Van Ham kwam uit Middelburg en dat kon je nog steeds horen, bekende hij. Hij beschouwde het dan ook niet als een „toppunt van beschaving” als iemands dialectachtergrond niet meer hoorbaar was. Wel zag hij het „eind der dialekten” naderen en wilde hij een grotere „eenheid in het spreken” bevorderen. Bovenal wilde hij verdere verspreiding van „platte stadstaal” voorkomen, met aberraties als chelaufe voor geloven. Van Ham wilde ook meer aandacht voor welsprekendheid. Door de NSB was reeds een „sprekersopleiding van bescheiden gehalte” opgezet, maar er moest een echt instituut voor eloquentie komen.

Met het schrijven was het volgens Van Ham droevig gesteld. „Onze kranten, onze tijdschriften, onze leerboeken zijn voor een niet onbelangrijk gedeelte slecht geschreven.” Veel Nederlanders konden zelfs geen behoorlijke brief schrijven. Dit moest worden aangepakt op scholen. Echter: „Het doel is nooit kunstenaars te kweeken.”

Wat betreft taalzuiverheid stelde Van Ham zich op het standpunt dat te grote invloed van een vreemde taal – inclusief het Duits – moest worden bestreden, anders zou het Nederlands op termijn verdwijnen. „Door het dagelijksch contact van vele duizenden Nederlanders en Duitschers beleven wij in onze dagen een invloed van het Duitsch op het spreken en schrijven van vele Nederlanders, die in zijn ergsten vorm voert tot wat men tegenwoordig wel koeterduitsch noemt.” Goede taalpolitiek, aldus Van Ham, moest bij het ganse volk liefde voor taal opwekken. Zelf trachtte hij daar een bijdrage aan te leveren in zijn rubriek ‘De Taalhark’ in het nationaalsocialistische dagblad Volk en Vaderland.

Na de oorlog kreeg Van Ham van de ‘Eereraad voor de Letterkunde’ een publicatieverbod van drie jaar. Tot aan zijn pensioen bleef hij leraar Nederlands. Geuzenliederen en poëzie van de vijftigers hadden zijn voorliefde. Eerst was hij werkzaam in Baarn, later in zijn geboorteplaats Middelburg. Over zijn uitspraak van het Nederlands had hij in 1944 in Taalpolitiek voorspeld: „Opnieuw naar Zeeland overgeplant, zou ik in een ommezien Zeeuw met de Zeeuwen zijn en mijn Zeeuwsch spreken ongeveer als toen ik kind in Zeeland was.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders