‘Opera is minstens zo opwindend als sport’

Reportage Metropolitan Opera Onder Peter Gelb hervond de New Yorkse Metropolitan Opera zijn pioniersgeest met wereldwijde live-uitzendingen in ruim tweeduizend bioscopen. „We kunnen niet afwachten tot het publiek de weg naar ons vindt.”

Erin Morley en Isabel Leonard in Poulencs Dialogues des Carmelites
Erin Morley en Isabel Leonard in Poulencs Dialogues des Carmelites Foto Ken Howard / Met Opera

Waar hij nu heerst, kreeg de zestienjarige Peter Gelb een halve eeuw geleden zijn eerste baan. Vlak onder het gouden bladerengewelf van de Metropolitan Opera in New York gidste hij de bezoekers naar hun stoel in de familiering. „Daar bevinden zich ook de staanplekken van de fanatici, die een religieuze toewijding aan de dag legden”, grijnst hij. „Ze gingen naar de hoogmis van de zang. Hun devotie trof me als bewonderenswaardig en verontrustend tegelijk, want de gemoederen wilden nog wel eens ontvlammen. Iedereen aanbad zijn eigen helden, een beeld dat geen kritiek verdroeg. Ik moest de nodige ruzies sussen of bij een handgemeen potige beveiligers te hulp roepen.”

De zestiger Gelb bracht zijn kindertijd deels door in de theaters van Manhattan. Zijn vader en moeder begonnen onderaan de ladder bij The New York Times met het rondbrengen van kopij en groeiden uit tot journalistieke kopstukken in het culturele leven van de stad. „Ik was een kind van de kunsten, dat droomde van een bestaan als impresario.”

Hij liet de universiteit links liggen en regelde een baan in de postkamer van de Russische artiestenmanager Sol Hurok. „Hij was het archetype van een impresario, herkenbaar aan zijn zwarte operacape, de vilten deukhoed en een wandelstok met zilveren handgreep. Door hem ontdekte New York de balletgrootheden Margot Fontyn en Rudolf Noerejev.”

Klassieke muziek bleek Gelbs biotoop waarin zijn ster snel rees. Bekendheid kreeg hij vooral als manager van pianist Vladimir Horowitz. Hij won Emmy Awards voor zijn documentaires, verzorgde begin jaren tachtig al live-uitzendingen op televisie voor de Met, en leidde ruim een decennium het platenlabel Sony, voordat hij dertien jaar geleden andermaal neerstreek bij het grootste operahuis ter wereld.

Uitstervend publiek

Gelb werd baas van een theater met een uitstervend publiek, dat alleen nog tot de verbeelding sprak door zijn roemruchte geschiedenis. Hij loopt deze middag even binnen bij de pianorepetitie van Wagners Götterdämmerung. De regie werkt aan de laatste scène: de ondergang van de Germaanse goden in een vlammenzee. Het toneel bestaat uit vierentwintig balken die ten opzichte van elkaar kunnen draaien. Daarop kunnen beelden worden geprojecteerd, maar nu zijn ze nog onbestemd grijs. „Het einde schemert”, zingt de Amerikaanse sopraan Christine Goerke. „Ik werp mijn toorts in Walhalla’s pronkende burcht.”

Dialogues des Carmelites Foto Jonathan Tichler / Met Opera

Die hoogmoedige vesting van oppergod Wotan doet onwillekeurig denken aan de Metropolitan zelf – voor velen is zij het Walhalla van de opera, maar achter de schittering van de goud-verlichte façade woont een reus met lemen voeten, erkent Gelb. „We werken met een jaarlijkse begroting van zo’n 300 miljoen dollar. En de overheidsbijdrage mag je verwaarloosbaar noemen met anderhalve ton. Elk jaar begint de ratrace weer, economisch en artistiek, want we willen het beste operahuis zijn.”

Gelb verwijst naar de huidige herneming van Wagners Ring-cyclus. „Deze productie was bij de première acht jaar geleden haar tijd ver vooruit, maar zij bracht ons – met alle kostbare technologische vondsten – aan de rand van de afgrond. Het blijft dansen op een dun koord.”

Overal stuit het oog hier op namen van rijke weldoeners, zelfs de inrit van de parkeergarage blijkt vernoemd. En dat geldt ook voor vele stoelen. Deze zaal biedt plek aan zo’n vierduizend bezoekers, niettemin ademt de monumentale bonbonnière met vijf verdiepingen iets intiems.

Instinct van een genie

In de kelders van het gebouw repeteert chef-dirigent Yannick Nézet-Séguin met zijn orkest en solisten Poulencs Dialogues des Carmelites, waarvan de première volgende week zaterdag wereldwijd in ruim tweeduizend bioscopen te zien is. „Bonjour”, zegt de Canadees. „Ik zal niet zeggen Gute Morgen, want dat horen jullie genoeg dezer dagen met al die Wagners.” Nézet-Séguin belichaamt de partituur: de muziek stroomt uit zijn magische handen, vingers, ogen, mond en de wiegende torso. „Hij dirigeert met het instinct van een genie”, vindt Gelb. „Zijn stijl ademt iets bovennatuurlijks, dat alle goede muziek kenmerkt.”

Scène uit Dialogues des Carmelites Foto Jonathan Tichler / Met Opera

Na veertig jaar met de schuwe dirigent James Levine schudt de Metropolitan Opera met de extraverte Nézet-Séguin de laatste veren af van een in zichzelf gekeerd verleden. Met zijn media-ervaring loodste Gelb het theater na zijn aanstelling een nieuw tijdperk in. De Met moest zich duidelijker buiten zijn eigen muren manifesteren. Door de overgang van filmprojectoren naar digitale technieken zag hij in bioscopen daartoe een ideaal podium.

„Zangers zijn de atleten van de stem. Met reportages achter de schermen en interviews benadrukken we de spanning die hangt rond een live-optreden. In dat opzicht is opera minstens zo opwindend als sport. Bovendien zit je door de cameravoering veel dichter op de huid van de zangers en het verhaal dan in het theater.”

Gelbs idee sloeg aan. De kaartverkoop van de tien bioscopera’s per seizoen stabiliseert zich de laatste jaren op zo’n tweeënhalf miljoen. „Het past in de traditie”, zegt hij. „In de jaren dertig liep de Met voorop met uitzendingen op de radio. Vier decennia later was hier de première van live-opera op televisie met Luciano Pavarotti en Teresa Stratas in Puccini’s La Bohème. Ik bouwde voort op die pioniersgeest, in het besef dat de nieuwe eeuw achterover leunen afstraft. We kunnen niet afwachten tot het publiek de weg naar ons vindt.”

De omstandigheden waren aan Gelbs zijde. Het Met-bestuur was zich bewust van de noodzaak tot verandering. Daarnaast had geldgebrek een einde gemaakt aan tv-uitzendingen, wat betekende dat werknemers die inkomsten op hun salarisstrook misten. Gelb bood de vijftien vakbonden, waarmee hij jaarlijks moet onderhandelen, een winstdeling, op voorwaarde dat de regels het raam uitgingen. Ze hapten toe. Ook de operasterren gingen op die basis akkoord. „Alles zat mee. Nu zou ik dat niet meer voor elkaar krijgen.”

Het geld uit het bioscoopavontuur kan Gelb onder meer gebruiken om opera impulsen te geven. Een van zijn eerste daden als general manager vormde de oprichting van een fonds om nieuw werk te kunnen bestellen. „We willen een inspirerend laboratorium zijn voor makers. Bovendien moeten we bioscoopbezoekers in Amsterdam niet enkel de zoveelste La Traviata voorschotelen maar evengoed Nico Muhly’s thriller Marnie.”

Ook experimenteert de Metropolitan Opera met een digitale schatkamer van alle registraties uit de rijke historie. „Tot een educatieve versie hiervan hebben meer dan twee miljoen Amerikaanse studenten toegang”, zegt Gelb. „Ik geloof dat muzikale scholing een wezenlijk onderdeel is van een beschaafde samenleving, al lijken politici daar anders over te denken. Een wereld waarin alleen geld en technologie tellen, zal de mens doods en eenzaam achterlaten. We kunnen en willen een baken zijn in deze onbeschaafde tijden.”

En daarbij gaat het voor Gelb om betekenis en niet om de modieuze zoektocht naar perfectie. „Horowitz leerde me dat een volmaakt optreden niet bestaat. Hij relativeerde daarmee deels de misslagen op zijn oude dag, en sprak tegelijk een waar woord. Want mijn meest ontroerende ervaringen in de kunst hangen samen met een vorm van imperfectie. Grote operazangers bezitten een geweldige techniek – anders overleven ze niet – maar wat mij raakt, blijft de mens die door een stem heen schemert.”