Hoe mijn oma een Amerikaanse piloot liet onderduiken

Tweede Wereldoorlog Wanneer vijfentwintig jaar na hun oma’s overlijden een schat aan informatie over haar oorlogsjaren opduikt, zijn haar nazaten met stomheid geslagen. Oma Cocky bleek diep in het verzet te hebben gezeten. Kleinzoon Michael Barzilaij vertelt haar verhaal.

Oma Cocky Sanders, met haar kleinzoon, de auteur Michael Barzilaij, als baby.
Oma Cocky Sanders, met haar kleinzoon, de auteur Michael Barzilaij, als baby. Privéfoto.

In het voorjaar van 2014 zie ik een televisiereportage over een Amerikaanse piloot die in de Tweede Wereldoorlog in Rotterdam ondergedoken had gezeten. Zijn zoon had de memoires van zijn vader gebundeld in het boek Two gold coins and a prayer en was naar Rotterdam afgereisd om de onderduikadressen van zijn vader met eigen ogen te zien. Ik veer op wanneer ik de Amerikaan in een huis aan de Breitnerstraat verhalen zie vertellen over zijn vader James Keeffe én mijn grootouders Cocky en Anton Sanders. De reportage eindigt met: „De familie Sanders is uiteindelijk verraden. Hoe het hen is vergaan, is onbekend.” Onmiddellijk pak ik de telefoon en weet ik een afspraak te maken met de zoon van de Amerikaanse piloot die nog in Nederland blijkt te zijn.

De memoires

Dat mijn grootouders gedurende de Tweede Wereldoorlog de Amerikaanse piloot „Jimmy” als onderduiker hadden gehad, was bij de meeste familieleden wel bekend. Maar meer wisten we eigenlijk niet. Aan opa Anton Sanders heb ik het nooit kunnen vragen, want die was al uit beeld toen ik geboren werd. En oma Cocky dweepte niet graag met oorlogsverhalen. Als je even alleen met haar was, kon ze kleurrijk vertellen over de tijd voor de oorlog. Over de drukte rond de Rotterdamse kades, het uitgaanscircuit op de Coolsingel, de allure van danspaleis Pschorr. En hoe alles in een nachtmerrie verandert, als de lucht zwart ziet van ‘duizenden’ Duitse parachutisten en Cocky daags erna vanaf de Aelbrechtskade het stadshart in vlammen ziet opgaan.

Met verhalen over de bezettingsjaren was ze karig. Als ze er al iets over losliet, waren dat wat anekdotes. Dat ze in 1941 trouwde met de knappe en welgestelde meester-kleermaker Anton Sanders en in de Breitnerstraat ging wonen. Dat het echtpaar in de hongerwinter op de zwarte markt voedselbonnen ritselde voor arme gezinnen en dat ze dus maandenlang een onderduiker over de vloer hadden gehad. Toen ze eind jaren tachtig mentaal zwakker werd, was dit zo’n beetje haar canon aan oorlogsmemoires.

De onderduiker

De 20-jarige piloot James Keeffe in een B-24 bommenwerper

Foto Keeffe Archives

Als ik Jim Keeffe ontmoet, de zoon van de ondergedoken Amerikaanse piloot, krijgen die oorlogsherinneringen een nieuwe dimensie. Hij is mateloos gefascineerd door de oorlogsavonturen van zijn vader, spendeerde veel tijd aan archieven doorspitten en aantekeningen maken en schreef er een prachtig boek over. Wanneer hij uit een doos stapels brieven, documenten en oude foto’s haalt van mijn grootouders, volgt de ene onthulling na de andere.

In zijn memoires beschrijft luitenant James Keeffe de onderduikperiode aan de Breitnerstraat met oog voor detail. Over het dagelijkse leven onder het juk van de Duitse agressor, over vriendschappen binnen het verzet en over zijn schuilplaats op de vierde verdieping van Breitnerstraat 60b. „De brandladder op het balkon naar het dak was mijn ontsnappingsroute. Als de Duitsers kwamen, zou ik het dak opklimmen en ongeveer driekwart blok verder naar beneden klimmen, naar het appartement van Anton Sanders’ moeder.”

Dat mijn grootouders „Jimmy” lieten onderduiken, getuigde van een moedig soort gastvrijheid. „De Sanders waarschuwden me onmiddellijk voor de Duitse Sicherheitsdienst-officier die naast hen woonde op 62b,” schrijft James. „Aan het begin van de oorlog waren de Joodse buren (familie Waisvisz) uit hun woning gesleurd en was hij er komen wonen.”

Ik maak kopieën van documenten, brieven en foto’s, wissel contactgegevens met Jim uit en krijg een exemplaar van het boek.

Mijn moeder, Monique Sanders, reist terug in de tijd wanneer we een dag later de woning aan de Breitnerstraat 60b bezoeken. Ze is er in 1947 geboren en was er sinds de scheiding van Cocky en Anton in 1961 niet meer geweest. Haar slaapkamer, Jimmy’s ‘geheime achterkamertje’, op de bovenste verdieping treft ze nog in de oude staat. De huidige bewoners hadden vanuit historisch oogpunt het kamertje intact gelaten. Ook de geheime schuilruimte achter een ingebouwde kledingkast is onaangetast. Cocky en Anton verstopten er volgens piloot Jimmy niet alleen de illegale radio, drank en andere zwarte marktspullen, maar in geval van nood, ook zichzelf.

Hoe meer ik over Cocky en Anton in bezettingstijd te weten kom, hoe meer onderzoek ik wil doen. Ik besluit iedereen binnen de familie die nog iets relevants over hun verzetsjaren zou kunnen zeggen, te interviewen.

Lees ook: Even blijven staan bij het standbeeld voor het verzet

De Gestapo

Two gold coins and a prayer leest als een jongensboek. Op 8 maart 1944 vliegt luitenant James Keeffe en zijn bemanning in een formatie van geallieerde bommenwerpers terug naar Engeland na een succesvolle maar gevaarlijke missie boven Berlijn. Onderweg waren ze beschoten door de Duitse luchtmacht en dat had schade opgeleverd. De bemanning moet boven Papendrecht de B-24 per parachute verlaten. Jim weet als enige uit handen te blijven van de Duitse Sicherheitsdienst en komt via diverse schuiladressen op 18 mei 1944 bij Cocky en Anton terecht aan de Breitnerstraat 60b. Daar zal hij tot 15 juli 1944 blijven.

In een brief die Cocky en Anton Sanders kort na de oorlog aan James Keeffe sturen, blijkt hoeveel gevaar ze liepen. „Het moet rond 3 uur zijn geweest dat tien Gestapo-mannen naar de Breitnerstraat kwamen. Jij was net naar België vertrokken. Ik kwam uit de stad van cadeaus kopen voor Cocky en ik zag dat ze de deur forceerden. Ik rende de hoek om en bekeek alle commotie vanachter het hek. Bij het balkon zag ik ze voor het raam met hun pistolen zwaaien. Ze namen mijn radio mee, al mijn gin en cognac, ongeveer 36 flessen, en dozen sigaren en wat erger was Cocky’s en mijn vlucht-bagage.

Onbegrijpelijk dat ze Cocky niet meenamen. Ze hebben ons huis niet eens verzegeld, zoals bij Alberts. De volgende dag zijn Cocky en ik samen ‘gedoken’ en we hebben de hongertijden goed doorstaan (…).”

Oma Cocky Sanders in de gang van Breitnerstraat 60b met poes Coco (augustus 1948).

Foto privécollectie

De ondergrondse

Begin dit jaar mailt Jim transcripties van interviews met zijn vader over de Sanders die hij in zijn archieven had gevonden en die niet in het boek zijn opgenomen. Daarin wordt de naam Lamoen genoemd, een persoon die een faciliterende rol speelde bij overvallen op overheidsgebouwen. Lamoen blijkt Joop Lamoen te zijn, de zwager van Anton Sanders en een vriend van De Beer. Dat moet Peter de Beer zijn (verzetsnaam Witte Piet), tot 25 augustus 1944 leider van de Landelijke Knokploegen (LKP) in het westen, die met auto’s vol LKP-mannen overvallen pleegde om rantsoenbonnen en identiteitsbewijzen buit te maken. Vaak waren dat nepovervallen; de veelal Nederlandse ambtenaren speelden het spelletje mee.

Ik probeer in de brieven uit te vinden wat echte namen zijn en wat verzetsnamen. Cocky en Anton Sanders schrijven dat „Kees inmiddels veilig is”. Dat blijkt om Kees van de Engel te gaan (verzetsnaam Cock), oprichter van de firma Coco, de vervalsingscentrale van het Rotterdamse verzet aan de Mathenesserweg. „Kees werd betrapt en naar Vught gebracht. Hij zag Jo Berlijn voor de laatste keer. Jo is geëxecuteerd.”

Juli 1943 - Cocky en Anton Sanders en vrienden op het balkon aan de Breitnerstraat 60b. Achter hen het onderduikkamertje van piloot James Keeffe. Over de rand van het aangrenzende balkon hangt de korte broek van de Sicherheitsdienst-officier. Foto Keeffe Archives

Jo Berlijn (verzetsnaam ‘Van Keulen’) blijkt een kopstuk binnen de LO te zijn (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers), verzorgde persoonsbewijzen in Zeeland en Zuid-Holland en wist dankzij zijn kennis van scheikunde de gehate „J” uit Joodse persoonsbewijzen te verwijderen. Cocky en Anton schrijven dat ook dr. J.A. op 18 februari 1945 is neergeschoten. Dr. Jappe Alberts hielp Joden aan onderduikadressen en werd met negen anderen gefusilleerd als represaille voor de aanslag op een NSB-kringleider.

De lijst met namen en initialen gaat maar door. „Heb je enig idee wie onze verrader was? De Groot is al door onze jongens neergeschoten; hij was een verrader. Wat denk je van Pierre en Mevrouw W. aan de Mathenesserlaan?”, schreef Anton.

Niemand binnen onze familie wist dat Cocky en Anton zo nauw bij het verzet betrokken waren geweest. En al helemaal niet dat ze de laatste maanden van de oorlog zélf ondergedoken hadden gezeten. Behalve tante Jeanne, de zus van Cocky. Ze zou aan mijn moeder ooit bekennen dat „het lastig was niet constant jaloers op Cocky te zijn. Ze was zo mooi, alle ogen waren op haar gericht als we ergens binnenkwamen. En in de oorlog had ze nogal wat lef; ik vond het allemaal doodeng wat ze uitspookte.”

De invasie

„Mijn vader kon zich vrij door Rotterdam bewegen”, vertelt Jim, de zoon van de Amerikaanse piloot aan de telefoon. Dat kon, dankzij de maatpakken van mijn opa en een valse identiteitskaart waarop te lezen viel dat hij een doofstomme mandenwever was. „Mijn vader was een 21-jarige rusteloze luitenant,” vervolgt hij, „die niets liever wilde dan terug naar het front. Hij was constant op verkenning in de stad. Cocky eiste van hem dat hij zich voor de avondklok weer zou melden.”

[/inzet]

Op een dag in de zomer van ‘44 gaat het bijna mis, blijkt uit de memoires van James. Hij is weer eens op pad geweest om Duitse installaties op zijn landkaart te markeren en keert daarna terug naar de Sanders. James: „Ik was halverwege de trap, toen de deur van 62b openging en de Duitse SD-officier de trap afliep. Wat ga ik in godsnaam doen, me omdraaien en rennen? Hij heeft waarschijnlijk een pistool, dacht ik, terwijl ik de trap opging. Ik keek hem aan en hij keek me streng aan terwijl we elkaar passeerden. „Goedendag, mijnheer”, zei ik en knikte met mijn hoofd. Ik had lang met Cocky op die zin geoefend. Hij keek dwars door me heen en liep de trap af naar buiten. Wat als hij mijn persoonsbewijs had gevraagd? Ik klopte op de deur van de Sanders. „Oh! Ik hoorde zijn deur opengaan en vroeg me af wat er zou gaan gebeuren!” zei Cocky doodsbang. „Godzijdank! Ik dacht dat je gepakt zou worden!”

Een paar dagen later staat Jim boven te douchen wanneer hij plotseling Cocky de trap op hoort rennen. „Jimmy! Jimmy!”

James, in zijn memoires: „Wat is er verdomme aan de hand?” De Gestapo moet hier zijn, schoot door zijn hoofd terwijl hij zich de SD-buurman herinnerde. Hij vloog de douche uit, pakte een handdoek en rende de badkamer uit naar de overloop boven aan de trap. Naakt en drijfnat rende hij richting de brandtrap. Net toen hij daar aankwam, kwam Cocky hijgend boven. Ze riep: „De invasie is begonnen! De invasie is begonnen!’ James: „Daar stond ik dan met een handdoek, druipnat en helemaal ingezeept, tegenover de jubelende vrouw des huizes.” De geallieerden waren in Normandië geland. Het was dinsdag 6 juni.

Anton en Cocky Sanders met hun kinderen Monique en Paul tijdens een trip naar Papendrecht met James Keeffe in 1959.

Foto Keeffe Archives

Doodsangst

Jimmy vluchtte in juli 1944 via het verzetsnetwerk naar België, maar belande in een valstrik. Zijn Vlaamse begeleider was een Duits agent die vloeiend Engels sprak. „Jij en de mensen waarmee je bent geweest denken zo slim te zijn, maar te jouwer informatie, je bent nu een gevangene van de Gestapo.”

„Ik was stomverbaasd”, schetst Jim in zijn memoires, „maar toen kwam er een nog grotere schok.”

„Ik denk dat je geïnteresseerd bent in deze lijst”, zei de Duitser.

„Hij begon de namen op te lezen van mensen die ik in Rotterdam had ontmoet. Een van de namen die ik meteen herkende was die van de Sanders. Ik maakte me direct grote zorgen om hun lot, maar probeerde niets te laten merken.”

„Dus je ziet, luitenant”, lachte de geheim agent sardonisch, „we weten alles over waar je bent geweest en de mensen waar je ondergedoken hebt gezeten. Maar we gaan daar voorlopig niets aan doen, omdat we willen dat ze ons vluchtende vliegers zoals jij blijven sturen.”

De Gestapo had in Antwerpen een valse ontsnappingslijn opgezet waardoor ze honderden vluchtelingen kon oppakken zonder dat de Nederlandse ondergrondse daarvan op de hoogte was. Deze route zou bekend komen te staan als de KLM-lijn.

Jim zat nog maanden in diverse gevangenissen en kampen en onderging flink wat ontberingen voordat hij bevrijd werd. Bij terugkeer in zijn woonplaats Seattle schrijft hij de Sanders. „Terwijl ik in Antwerpen gevangen zat, deed ik er alles aan om jullie van het verraad op de hoogte te stellen door briefjes mee te geven aan Nederlandse gevangenen die bezoek mochten ontvangen.”

Cocky en Anton zullen later antwoorden dat ze die nooit ontvangen hebben.

Jim eindigt met: „Beste Ton en Cocky, ik zal nooit in staat zijn om precies uit te drukken hoe dankbaar ik jullie ben dat jullie mij lieten onderduiken tijdens die lange maanden. Als ik ooit iets voor jullie kan betekenen waardoor ik mijn dankbaarheid kan tonen, aarzel dan niet mij te schrijven.”