Opinie

Hotz leunde op Sontrop

Frits Abrahams

Het wordt tijd dat we weer wat meer F.B. Hotz gaan lezen. Een van Nederlands beste schrijvers van korte verhalen mag niet vergeten worden. Gelukkig wordt aan een revival gewerkt.

Bij De Arbeiderspers verschijnt onder de titel Onrustige dagen een nieuwe bloemlezing van zijn verhalen, gekozen door Thomas Heerma van Voss, die in zijn inleiding schrijft: „Als ik bij het schrijven even vastloop trek ik regelmatig een van Hotz’ bundels uit de kast.”

Hopelijk wordt die bloemlezing beter gelijmd dan de mooie Hotz-biografie van Aleid Truijens, in 2011 ook door De Arbeiderspers uitgebracht. Mijn exemplaar viel uitgeput in brokstukken uiteen toen ik het deze week wilde raadplegen. Ook literatuur is vergankelijk, maar we hoeven de vergetelheid niet een handje te helpen.

Onlangs verscheen ook een uitgave van 73 brieven die Hotz aan zijn uitgever Theo Sontrop schreef: Geniaal is niet direct het woord. Het is een chique uitgave in negentig genummerde exemplaren, voor 75 euro te koop bij uitgeverij Statenhofpers. Eventueel ter geruststelling: de uitgever, Jaap Schipper, radioloog van beroep, verzekerde me dat hij zijn uiterst verzorgde boeken zonder winstoogmerk vervaardigt.

Dit brievenboek van Hotz bevat bekend materiaal – Truijens maakte er al in haar biografie gebruik van – maar ook een aantal nooit eerder gepubliceerde brieven. Ze werpen geen nieuw licht op Hotz, maar bieden wel veel inzicht in de relatie tussen deze teruggetrokken levende schrijver en Sontrop. Dankzij Sontrop maakte Hotz eindelijk – hij was in 1976 al 54 jaar – zijn debuut met de verhalenbundel Dood weermiddel.

Uit de brieven blijkt hoe allesbepalend voor Hotz het oordeel van Sontrop was. Hotz twijfelde veel aan zichzelf als schrijver, hij had steun en adviezen nodig. „Ik heb me nu voorgenomen niemand meer iets te laten lezen dan jij”, schrijft hij op 6 januari 1979 aan Sontrop. „Op jouw mening leun ik voor 100 %. Maar, in godsnaam, geef me die mening dan ook! Het lange uitblijven van je beoordeling maakt me enorm onzeker en belemmert de zin in schrijven sterk.”

Veel verhalen van Hotz hebben een autobiografische inslag. Het is vermakelijk om in de brieven te lezen hoe Hotz dit aspect voor de buitenwereld probeerde te verdoezelen. Het verhaal ‘In naam der wetenschap’ uit Dood weermiddel moest naar achteren worden geplaatst omdat het ‘roddelachtig’ was en ‘vrijwel ware gebeurtenissen, gesprekken en personen’ betrof. Bij het verhaal ‘De auditie van mevrouw Stulze’ uit Ernstvuurwerk is hij bang dat de vrouwelijke hoofdpersoon het onder ogen krijgt.

Een ander onderwerp dat Hotz kwelde was zijn vermeende vrouwenhaat. Hij trok zich dat verwijt aan. „Niemand schijnt ‘De demonstratie’ goed gelezen te hebben: het is, godbetert, een verliefd soort ode aan een zalige boerenmeid.” Toch besefte hij ook zelf dat het verwijt niet zonder grond was. Over het verhaal ‘Voldoening’ schrijft hij: „Hier alwéér vrouwen die de gang van zaken – én de voldoening – verstoren.

Hotz zag in Sontrop vanaf het begin vooral een zakenman. Terecht, schrijft Jan Paul Hinrichs in zijn nawoord: Sontrop verkocht na zijn afscheid als uitgever tientallen brieven van zijn auteur. Het zou deze pessimistische schrijver misschien wel teleurgesteld, maar niet verbaasd hebben.