Opinie

    • Paul Scheffer

Het doemdenken tast de democratie aan

Wat motiveerde een half miljoen mensen om begin jaren tachtig de straat op te gaan tegen plaatsing van kernwapens? Wanneer ik bij mezelf te rade ga: vooral toch het besef dat we getuige waren van een absurde wapenwedloop. Een misverstand tussen Oost en West leek genoeg om de „wederzijds verzekerde vernietiging” in gang te zetten.

De herinnering aan die tijd kwam terug nu de opwarming van de aarde zoveel mensen op de been brengt. Zowel de vredesbeweging als de milieubeweging beroept zich op ideeën over een naderende ondergang. Populisten zijn wel omschreven als „handelaren in angst” – toch bedienen ook klimaat- en vredesactivisten zich van zulke emoties. Het leert ons dat angstbeelden keurig zijn verdeeld van links tot rechts.

De Doomsday Clock die wetenschappers bijhouden staat ondertussen op twee voor twaalf. In die resterende minuten is de dreiging van kernwapens en het klimaat samengevat. Het is niet de eerste keer dat we het uur van de waarheid naderen – eigenlijk is het volgens deze wetenschappers al heel lang bijna te laat.

We begrijpen waarom: zonder sterke beelden komen mensen niet snel in beweging. Zo bezien is doemdenken vooral machtsdenken: door verval voor te spiegelen wordt invloed uitgeoefend. Dat hoort bij het zelfcorrigerende vermogen van een democratie. Maar doemdenken kan tegelijk het vrije gesprek beknellen. Wanneer het overleven van de mensheid in het geding is valt er al snel weinig meer te kiezen.

Dat is de andere kant van de klimaatmarsen van de afgelopen maanden. Ik moest een beetje lachen toen bezorgd werd gesproken over al die kinderen die meeliepen. Ze zouden bang worden gemaakt met verhalen over smeltende poolkappen. Ik herinner me nog goed dat ik op school het ene na het andere werkstuk neerpende over de vervuiling van de rivieren en de smog in grote steden. We waren een halve eeuw geleden minstens even somber als jongeren van nu.

Het waren de jaren van de Club van Rome. In het beroemde rapport Grenzen aan de groei werd begin jaren zeventig een ramp voorspeld door onder meer een bevolkingsexplosie, de uitputting van hulpbronnen en toenemende milieuvervuiling: „Het gedragspatroon van het systeem is duidelijk dat van grensoverschrijding en ineenstorting.” Daarbij werd gedacht aan massale hongersnood en een krimpende wereldbevolking.

Deze onheilszwangere boodschap was genoeg om Hans van Mierlo, oprichter van D66, in een toespraak te verleiden tot „nieuwe politieke conclusies, die waarschijnlijk buitengewoon onaangenaam zijn voor iedereen”. Hij haalde instemmend een bevriende journalist aan die sprak over de „zelfgegenereerde Endlösung voor de mensheid”. Kleine woorden waren even niet in – goede smaak trouwens ook niet.

Die episode bevat een voorzichtige les nu we ons terecht zorgen maken over het klimaat: dit soort doemdenken kan ten koste gaan van democratie. Gevraagd is een debat zonder vooroordelen: we moeten alle mogelijke oplossingen beter in kaart brengen dan we nu doen. Bij een bezoek aan de fractie van een regeringspartij vroeg ik laatst: „Waarom gaat ons land van het gas af, terwijl al onze buurlanden juist aan het gas gaan?” Niemand kon of wilde een antwoord geven.

Het debat richt zich niet zozeer op de vraag of een energietransitie nodig is – des te meer op de vraag hoe die transitie eruit zal moeten zien. In een democratie gaat het altijd om alternatieven. Je hoeft werkelijk geen klimaatscepticus te zijn om te beseffen dat de langetermijnkeuzes een ruimer gesprek verdienen.

De links-liberale denker Steven Pinker benadert in zijn invloedrijke boek Enlightenment Now het milieuvraagstuk als onderdeel van een vooruitgangsidee. De industrialisering heeft volgens hem de mensheid per saldo veel goeds gebracht. Pinker zoekt naar oplossingen – onder meer een CO2-belasting en kernenergie – die welzijn en welvaart kunnen dienen. Die houding helpt bij het denken over klimaatverandering.

Op de Britse televisie zag ik Rupert Read, een woordvoerder van Extinction Rebellion (Channel 5, 19/4). Dat is een radicale milieubeweging die ook in ons land van zich doet spreken. De zinnen rolden hem gemakkelijk over de lippen: „We hebben nog een paar jaar om alles te veranderen. Kinderen smeken om hun leven. De ondergang van de beschaving kondigt zich aan.”

Zijn conclusie: „Onze regering is niet legitiem.” Zo zien we goed de problematische kant van het protest: wanneer alles op het spel staat is uiteindelijk alles gerechtvaardigd. Alle doemdenken is namelijk ook een almachtsdenken: het idee dat de toekomst één richting en dus één antwoord kent. Die blikvernauwing hoort niet bij een democratie.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.