‘Er komen meer zaken tegen multinationals in Europa’

Shell De Nederlandse rechter mag zich uitspreken over claims tegen Shell in Nigeria. Na deze uitspraak volgen meer rechtszaken tegen multinationals in Nederland, verwacht hoogleraar Liesbeth Enneking.

Twee van de weduwen van de ‘Ogoni 9’ in de rechtbank. Foto Bart Maat/ANP
Twee van de weduwen van de ‘Ogoni 9’ in de rechtbank. Foto Bart Maat/ANP

Geen vonnis, maar een tussenvonnis. Niets is bewezen, Shell hoeft nog altijd geen schadevergoeding te betalen – en toch reageerde de advocaat van vier Nigeriaanse weduwen woensdag „opgelucht en blij” op de uitspraak van de rechtbank in Den Haag.

De reden: de Nederlandse rechter mag zich uitspreken over claims tegen de Nigeriaanse Shell-dochter SPDC. En hoewel de gebeurtenissen waar het om draait zich afspeelden in 1995, zijn ze volgens Nigeriaans recht niet verjaard. Dat jaar werden de echtgenoten van de eisers veroordeeld en geëxecuteerd, volgens hen mede door verwijtbaar optreden van Shell-officials.

„Wat de uitspraak bijzonder maakt, is dat beide partijen zich als winnaar mogen beschouwen”, zegt Liesbeth Enneking, hoogleraar internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit. „Medeplichtigheid aan de arrestatie, oneerlijke berechting en executie van negen mensen zijn zware feiten. De rechtbank heeft nu het grootste deel van de stellingen van de eisers in dit verband verworpen wegens onvoldoende bewijs. Daar kan Shell alleen maar blij mee zijn.

„Tegelijkertijd had Shell natuurlijk het liefst dat de zaak deze woensdag helemaal in de kiem was gesmoord, bijvoorbeeld op grond van verjaring. En dát is de grote winst voor Esther Kiobel en de andere weduwen. Eindelijk, na meer dan vijftien jaar procederen en bijna 25 jaar na de executie van haar man, krijgt Kiobel haar échte day in court. Voor het eerst buigt een rechter zich over de inhoudelijke kant van de zaak, in plaats van alleen over procedurele punten. Dat moet haar grote voldoening geven.”

Waar Enneking niet van opkeek, was dat de Nederlandse rechter zich bevoegd acht de claims tegen de Shell-dochter in Nigeria te beoordelen, vanwege de relatie met de moedermaatschappij hier. „In Nederland had het gerechtshof Den Haag in de Milieudefensie-zaak al bevestigd dat zoiets mogelijk was”, zegt ze. Daarmee doelt ze op de procedures die de milieuorganisatie in 2008 en 2009 met enkele Nigeriaanse boeren aanspande tegen Shell wegens vervuiling van hun visgronden door olielekkage.

„De inhoudelijke behandeling van die zaak is overigens nog niet afgewikkeld bij het hof. Als er een eindvonnis is, zal Shell ongetwijfeld naar de Hoge Raad stappen om de bevoegdheid van de rechter opnieuw aan te vechten, zoals het concern ook nu weer heeft geprobeerd in de Kiobel-zaak. Het vreest de mogelijkheid dat er meer van zulke procedures volgen in Nederland.”

Ken Saro-Wiwa

De Milieudefensie-zaak is een van de zes rechtszaken tegen Shell – twee in de Verenigde Staten, twee in het Verenigd Koninkrijk, twee in Nederland – die Enneking onderzocht voor de deze zomer te verschijnen bundel Human Rights in the Extractive Industries: Transparency, Participation, Resistance. Daarin beschrijft ze ook de zaak die de nabestaanden van de Nigeriaanse schrijver Ken Saro-Wiwa, de bekendste van de negen activisten die in 1995 waren opgehangen, tegen Shell in de VS hadden aangespannen. Ook zij beschuldigden Shell van medeplichtigheid aan de dood van de ‘Ogoni 9’, door de manier waarop het concern samenwerkte met het leger.

Shell had destijds het tij tegen: de Amerikaanse rechters achtten zichzelf bevoegd over de claims tegen Shell te oordelen, al lagen de hoofdkantoren in het Verenigd Koninkrijk en in Nederland. Want, zeiden ze, het olieconcern had een klein kantoor in New York voor ‘investeerders’, vanwege zijn notering aan de Amerikaanse aandelenbeurs. Vlak voor de inhoudelijke behandeling van de zaak in 2009 zou beginnen, schikte Shell voor 15,5 miljoen dollar. „Geen schadevergoeding, maar een humanitair gebaar”, blijft Shell volhouden. „Zo gaat het altijd”, relativeert Enneking, „maar je gaat alleen schikken als de druk hoog is, als je denkt dat je wel móet.”

Hausse aan rechtszaken

De zaak van de nabestaanden van Ken Saro-Wiwa paste in de hausse aan soortgelijke aansprakelijkheidszaken tegen multinationals – meer dan 150 – die tussen 1995 en 2013 in de VS werden aangespannen, aldus Enneking. Dat gebeurde op basis van een herontdekte federale wet uit 1798, de zogeheten Alien Tort Statute. Deze ultrakorte wet maakte civiele claims mogelijk in de VS bij internationale mensenrechtenschendingen, ook als die buiten de VS hadden plaatsgevonden en daders en slachtoffers geen Amerikanen waren.

Enneking: „De rechters waren in het begin best idealistisch: zulke belangrijke kwesties konden toch niet onbestraft blijven, vonden ze. Veel slachtoffers van mensenrechtenschendingen, die in eigen land geen procedure konden of durfden aanspannen, konden daardoor zaken beginnen in de VS, ook tegen betrokken bedrijven.”

Maar weinig van dit soort aansprakelijkheidsprocedures tegen multinationals halen de eindstreep

Esther Kiobel beriep zich op die wet toen zij in de VS een zaak tegen Shell begon om dezelfde redenen als de nabestaanden van Ken Saro-Wiwa. Maar de federale rechters leken inmiddels geschrokken van de hoeveelheid zaken, ook tegen niet-Amerikaanse multinationals. „Daar kon het wetje toch niet voor bedoeld zijn, was de redenatie, kort samengevat”, zegt Enneking. Het Hooggerechtshof bevestigde dit in 2013, toen het in de zaak-Kiobel oordeelde dat Shell niet in de VS gedaagd kon worden op grond van de Alien Tort Statute. Wie de degens met Shell wilde kruisen over het gebeurde in Nigeria, moest maar naar Nederland of het Verenigd Koninkrijk.

Voor Kiobel was dat extra teleurstellend omdat de Amerikaanse regels voor bewijsverkrijging veel ruimer zijn dan in Nederland. Enneking: „In de VS mag je, terwijl het proces al loopt, bewijsstukken opeisen bij de gedaagde, die in veel gevallen verplicht is ze af te geven. In Nederland moet je bij aanvang van de procedure al met voldoende bewijs komen om aan te tonen dat je zaak kans maakt. De dagvaarding van Kiobel in de VS telde een paar kantjes, die in Nederland wel 140.”

Meer rechtszaken

Nu de weg via de Amerikaanse federale rechter is afgesloten, zullen er in Europa alleen maar meer rechtszaken komen tegen daar gevestigde multinationals, verwacht Enneking. Bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk, waar de mogelijkheden om zulke zaken te beginnen onlangs lijken te zijn verruimd. „Op 10 april oordeelde het UK Supreme Court, het hoogste gerechtshof in het VK, dat een kleine tweeduizend Zambianen daar een zaak mochten beginnen tegen Vedanta. Zij stelden het Britse mijnbedrijf aansprakelijk voor de vergiftiging van de rivier en hun drinkwater, met zieken en doden als gevolg, door de lokale kopermijn van een dochtermaatschappij van Vedanta.

Belangrijke overweging van het Hof, volgens Enneking, was dat de toegang tot het recht voor deze slachtoffers in Zambia te beperkt zou zijn. „Zo kun je in Zambia, anders dan in de VS en het VK, geen no cure, no pay-afspraken maken met advocaten, als er in Zambia al advocaten te vinden zouden zijn met voldoende ervaring om zo’n complexe zaak te doen. Je moet dus meteen met een grote zak geld komen voor je er überhaupt een rechtszaak kunt beginnen. Dat woog zwaar mee in de uitspraak van het Hof, die bevestigde dat de Engelse rechter bevoegd is over de zaak te oordelen. Het arrest wordt dan ook gezien als een doorbraak voor de slachtoffers in die zaak en mogelijk ook in andere, soortgelijke zaken.”

Geschikt buiten de rechter om

Nog altijd halen echter maar weinig van dit soort aansprakelijkheidsprocedures tegen multinationals de eindstreep: een inhoudelijke behandeling en financiële compensatie voor de eisers, als ze gelijk krijgen. „Dat gebeurde bijvoorbeeld maar bij enkele van die meer dan 150 aansprakelijkheidszaken tegen multinationals in de VS. Wel is er een twintigtal zaken buiten de rechter om geschikt.”

Maar ook het vooralsnog lage slagingspercentage zal geen belemmering vormen voor nieuwe rechtszaken, denkt Enneking. „Je ziet een duidelijke verschuiving naar grotere verantwoordelijkheid van multinationals voor de schadelijke gevolgen voor mens en milieu van de activiteiten van hun dochterondernemingen, maar ook van die van toeleveranciers in de hele keten. Zo hebben we sinds 2011 de in VN-verband vastgestelde ‘Ruggie-principes’, richtlijnen voor het bedrijfsleven op het gebied van mensenrechten, waarin ook toegang tot het recht voor slachtoffers een belangrijke rol speelt. In het kielzog van die ontwikkeling zullen actieve ngo’s alleen maar vaker bedrijven willen dagvaarden wegens schade voor mens en milieu door hun activiteiten.”

Hogere druk op wetgever

Tegelijkertijd groeit de druk op de wetgever om met strengere regels te komen. „De VN-richtlijnen zijn niet bindend, wat gelijk verklaart waarom het internationale bedrijfsleven ze unaniem heeft omarmd.”

Onlangs deed Enneking onderzoek met drie collega’s van de Universiteit Utrecht dat het belang van dwingender regelgeving alleen maar bevestigt, vertelt ze. „We onderzochten 255 gevallen waarin bedrijven in de media waren beschuldigd van betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen, en keken of dit invloed had op de beurskoersen van die bedrijven. Zo wilden we eventuele reputatieschade meten. Wat bleek: per saldo maakte het niets uit, al die schandalen. De koersen daalden er niet door.

“Mijn medeondezoekers waren erg teleurgesteld dat dit eruit kwam. Maar ik vond het juist superinteressant. Vaak is de gedachte: als we de bedrijven maar verplichten íéts te doen, zoals een gedragscode instellen of rapporteren, regelt de markt de rest wel. Ons onderzoek laat echter zien dat de markt gedrag dat schadelijk is voor mens of milieu in gastlanden helemaal niet afstraft. Het is een extra argument om maatschappelijk verantwoord ondernemen niet over te laten aan de markt. Je moet als wetgever dus aan de bak, als je dit serieus neemt.”