Opinie

De enige niet-linkse hoogleraren geschiedenis zijn dood of met pensioen

Onderwijsblog Ideologische verscheidenheid bij geesteswetenschap is iets uit het verleden. Financier dus vaker tegendraads onderzoek, schrijft Steije Hofhuis.

Robin van Lonkhuijsen/ANP XTRA

De recente overwinningsspeech van Thierry Baudet heeft het debat over een vermeende ideologische eenzijdigheid van de academische wereld weer op scherp gezet. Hij wil de elites „vervangen” en „verslaan” en richt zijn pijlen mede op de wetenschap. Terecht wekte de toespraak grote beroering. Wat de academische respons alleen vertroebelt, is dat er wordt gedaan alsof er niets aan de hand is. Een open brief tegen Baudet, door 1.600 academici ondertekend, beroept zich op een recent „nationaal onderzoek naar academische vrijheid” van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Dat heeft, zo stelt de brief, „geconcludeerd dat er geen gevaar is voor zelfcensuur door een gebrek aan diversiteit in politieke perspectieven”. Probleem is dat de KNAW dit wel concludeert maar niet wetenschappelijk onderzocht heeft, zoals de socioloog Eric C. Hendriks betoogde. De vraag staat dus nog: is er een probleem met ideologische eenzijdigheid?

Niet volgens sommigen. Het Historisch Nieuwsblad vroeg in juni 2017 aan geschiedenishoogleraar Leo Lucassen of de geschiedwetenschap eenzijdig links is. Zijn antwoord: „Nee, ik herken dat absoluut niet”. Lucassen verwijst naar de Leidse geschiedenishoogleraren Cees Fasseur, Henk Wesseling, Piet Emmer, en de Groninger Frank Ankersmit, die inderdaad moeilijk links te noemen zijn. We zouden ook nog aan de tegendraadse protestantse hoogleraar Arie van Deursen kunnen denken. Wat deze voorbeelden overtuigend maakt, is niet zozeer dat het werk van deze historici expliciet politiek is, of omdat we iets weten over hun stemgedrag. Maar wel omdat ze hun thema’s, zoals de geschiedenis van het koningshuis, protestantisme, slavernij, of kolonialisme, behandelen op een manier waarop een linkse historicus dat vast niet zou doen. Het zijn ook niet zomaar historici, maar publieke intellectuelen wier boeken een breed Nederlandstalig publiek bereikten.

Er is alleen een probleem.

Fasseur en Van Deursen zijn dood. Wesseling was nog in leven toen Lucassen dit zei, maar wel allang met pensioen, en ook hij is nu dood. Emmer en Ankersmit zijn vitale deelnemers aan het publieke debat, maar ook allang met pensioen. Wat Lucassen hooguit laat zien, is dat ideologische verscheidenheid vroeger heeft bestaan. Begrijpelijk dat hij geen zittende geschiedenishoogleraar noemt, want ik zou ook geen voorbeeld weten. Er zijn enkele professoren met een protestantse oriëntatie, maar niet tegendraads zoals Van Deursen.

Mono-ideologisch landschap

Hoe zit het met andere disciplines in de sociale en geesteswetenschappen? De Amsterdamse hoogleraren filosofie Huub Dijstelbloem en politicologie Tom van der Meer stellen ook dat er geen probleem is. Ze verwijzen naar de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam, die veel aandacht kreeg met zijn bewering dat multiculturalisme in eerste instantie onderling vertrouwen in gemeenschappen vermindert. Maar ook deze casus rammelt, want Putnam omschrijft zichzelf als „left wing” en uiteindelijk ondersteunt hij het multiculturalisme. Onbedoeld bevestigen de Amsterdamse hoogleraren juist wat ze hoopten te ontkrachten: wie niet tot de linkervleugel van de linkervleugel behoort geldt al als tegenstem.

Er zijn wel wat overtuigende voorbeelden in Nederland te noemen. Economie en bedrijfskunde zijn bepaald niet eenzijdig links, en er is een kleine afwijkende groep rondom de Leidse hoogleraar rechtsgeleerdheid Paul Cliteur. Maar dit lijken uitzonderingen te zijn in een mono-ideologisch landschap. Op anekdotisch niveau stapelen de aanwijzingen voor een druk tot zelfcensuur en eenzijdigheid zich op en zelf merk ik het op de werkvloer ook geregeld. Er lijkt ook een goede reden voor zelfcensuur te zijn. Een bekend probleem is dat ideologisch afwijkend onderzoek rondom gevoelige thema’s als multiculturalisme, islam, transnationalisme of immigratie, niet of nauwelijks gefinancierd wordt.

En er is meer dat onderbelicht blijft in het KNAW-rapport. „In de wetenschap gaat het om waarheidsvinding”, zo citeerde het rapport toenmalig minister Bussemaker (PvdA, OCW). Dit doel zou nooit door maatschappelijke, politieke of commerciële belangen mogen worden overschaduwd. Maar samen met de Belgische filosoof Maarten Boudry besprak ik eerder hoe waarheidsvinding in sommige delen van onze academische wereld door postmodern relativisme onder druk staat. Linkse en postmoderne overtuigingen gaan lang niet altijd samen, maar aan de hand van prominente voorbeelden lieten we zien hoe het relativisme wel eenzijdig ideologisch wordt ingezet om onwelgevallige informatie onschadelijk te maken.

Diversiteit en inclusie

Daarbovenop bepleiten universiteiten steeds actiever het ideaal van „diversiteit” en „inclusie”. Dit model is overgewaaid uit de Angelsaksische wereld, maar is niet zonder wetenschappelijke en maatschappelijke risico’s. Met een nieuwe taal en nieuwe praktijken wil men een universiteit en samenleving creëren waarin iedereen zich welkom voelt. De nadruk ligt niet zozeer op de inhoud van wat mensen te zeggen hebben – een diversiteit aan opvattingen – maar vooral op het tellen van seksen, etniciteiten en seksuele oriëntaties. Ondervertegenwoordiging van een categorie wordt razendsnel als discriminatie geïnterpreteerd, wat wetenschappelijk gezien problematisch is omdat oorzaken meervoudig kunnen zijn.

De wrange ironie van dit model is dat het op Angelsaksische universiteiten juist tot een kleinere diversiteit aan meningen heeft geleid. Data tonen een groei van linkse en radicaal-linkse perspectieven en een verval van academisch rechts, dat in veel disciplines zelfs bijna is verdwenen. Wie niet op de juiste manier het nieuwe ideaal ondersteunt, loopt het risico te worden buitengesloten – tot het zogenoemde deplatformen van onwelgevallige sprekers aan toe, een tendens die nu ook in Nederland de kop opsteekt.

De uitdrijving van academisch rechts heeft Angelsaksische samenlevingen overigens niet minder rechts gemaakt. Integendeel, we hebben het hier over de landen van Brexit en Trump. Het academische establishment werd door deze golven van populisme volkomen verrast, wat dan weer geen verrassing is, want als tegenstemmen worden gesmoord, verliest men het zicht op wat er speelt.

Politieke correctheid helpt Brexit en Trump

De door universiteiten aangejaagde ideologische atmosfeer, vaak omschreven als „politieke correctheid”, lijkt de successen van Brexit en Trump zelfs te hebben bevorderd. 67 procent van de Amerikanen wil meer controle op wapenbezit, 76 procent wil hogere belastingen voor rijken, en 72 procent vindt klimaatverandering van persoonlijk belang in het leven. Toch verloren de Democraten de verkiezingen. Het zou weleens te maken kunnen hebben met een andere bevinding: 80 procent noemt politieke correctheid een groot probleem in de VS. Weinig thema’s zijn door Trump met meer succes geëxploiteerd, en vooral mensen die de zorgen over ongelijkheid en klimaatverandering delen, zouden hierdoor gealarmeerd moeten raken.

Verzet tegen politieke correctheid wordt nog weleens afgedaan als de boosheid van oude blanke mannen die geen privileges willen opgeven, maar data laten andere dingen zien. In de VS zijn juist welvarende witte Amerikanen relatief het meest over politieke correctheid te spreken, terwijl niet-blanken en laagopgeleiden bovengemiddeld afkerig zijn. In Nederland scoort de rabiaat antipolitiekcorrecte PVV relatief goed onder stemmers van niet-westerse afkomst. Wat weerstand oproept, zijn onder meer de onophoudelijke taboes en verboden, de steeds complexer wordende jargontaal, en sociale sancties voor wie niet op tijd in de pas loopt.

Het roept de vraag op of een verdere invoering van dit Angelsaksische model wel zo’n goed idee is. De oplossing voor deze problemen ligt niet in het doelbewust financieren van „rechts onderzoek”, laat staan in het turven van politieke overtuigingen. Dat zou de wetenschap te veel politiseren, terwijl van academici juist enige distantie mag worden verwacht. Wel zou het helpen als er structureel meer tegendraads onderzoek wordt gefinancierd. Zodra wetenschappers doorkrijgen dat een ideologisch onwelgevallig maar goed onderbouwd onderzoek perspectieven biedt, zal het fundamentele debat snel opbloeien.

En wanneer zich weer politici aandienen die vol oorlogsretoriek tegen de wetenschap te hoop lopen, wordt dit eenvoudiger te pareren. Met open vizier kan de wetenschap laten zien hoe het debat in alle openheid wordt gevoerd.

Steije Hofhuis is promovendus cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht.

Correctie (1 mei 2019): In een eerdere versie van deze bijdrage werd historicus Arie van Deursen foutief Adri van Deursen genoemd. Dat is hierboven aangepast.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.