Wet om jihadisten te volgen wordt amper gebruikt

Terrorisme De wet uit 2017 om mogelijke terroristen in de gaten te houden is „een papieren tijger”, en vereist vooral heel veel werk.

Imam Fawaz Jneid vocht het gebiedsverbod aan dat de minister van Veiligheid en Justitie hem oplegde, een mogelijkheid van de nu onderzochte wet.
Imam Fawaz Jneid vocht het gebiedsverbod aan dat de minister van Veiligheid en Justitie hem oplegde, een mogelijkheid van de nu onderzochte wet. Foto Martijn Beekman/ANP

Een nieuwe wet om potentiële terroristen beter in de gaten te kunnen houden, is sinds de invoering in 2017 maar zes keer toegepast. Bij veertig potentiële terroristen is overwogen de wet te gebruiken, maar dit bleek niet te kunnen. Dat staat in een evaluatie door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC).

De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, die van 1 maart 2017 tot 1 maart 2022 van kracht is, geeft de overheid de mogelijkheid jihadverdachten zonder strafrechtelijke veroordeling via het bestuursrecht toch aan te pakken. De minister van Justitie en Veiligheid kan een meldplicht of gebiedsverbod opleggen aan mensen die „in verband gebracht” worden met het „ondersteunen” van „terroristische activiteiten”. Bij de invoering waarschuwden deskundigen dat deze wet op grote schaal zou kunnen worden gebruikt om de vrijheid van meningsuiting in te perken.

Forse kritiek op voorgestelde wet: meer repressie zonder noodzaak

Uit de evaluatie blijkt dat het niet zo’n vaart loopt. Van veertig personen is nagegaan of zij voor toepassing van de wet in aanmerking kwamen. Maar politie en Openbaar Ministerie beschikten over te weinig informatie om hen in verband te brengen met terrorisme.

Vijf van de zes gevallen waarbij de wet is gebruikt betreffen jihadverdachten die in Syrië zijn geweest of hebben geprobeerd daar te komen. Drie van hen waren door de rechter vrijgelaten zonder toezicht door de reclassering, waarna de minister hun alsnog een meldplicht oplegde. De wet werd ook gebruikt om de omstreden imam Fawaz Jneid te weren uit twee Haagse wijken, omdat zijn preken zouden leiden tot radicalisering.

Lees ook: Een jihadist uitzetten gaat nog niet zo makkelijk

De onderzoekers spraken met tientallen functionarissen van politie, OM, gemeenten en de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). De toepassing van de wet blijkt „een tijdrovende en belastende aangelegenheid”. Zo moet er een bestuurlijke rapportage worden opgesteld die onomstotelijk aantoont hoe gevaarlijk de potentiële terrorist is, maar tegelijkertijd mag de rapportage lopende opsporingsonderzoeken niet in de weg zitten. Ook moet de rapportage door tientallen ambtenaren worden beoordeeld en aangevuld. Al met al is het „veel meer werk dan van tevoren werd gedacht”, schrijven de onderzoekers.

Hoogleraar staatsrecht Jon Schilder, die het WODC-onderzoek begeleidde, noemt het „opvallend dat de wet zo weinig wordt gebruikt”. Eerder vreesde Schilder dat de wet „te lichtzinnig” zou worden toegepast, zeker toen de hoogste rechter toeliet dat de wet werd gebruikt om de omstreden prediker Jneid te weren.

In de praktijk blijkt de overheid huiverig om de wet toe te passen, zegt Schilder. „Dat getuigt enerzijds van zorgvuldigheid en dat is geruststellend. Anderzijds blijken de barrières wel erg hoog: het kost veel capaciteit en het OM kan vaak niet voldoende informatie aanleveren over de betreffende personen. Dat maakt dat de nieuwe wet een beetje een papieren tijger is geworden.”