Vermoord

schrijft columns gebaseerd op haar ervaringen als huisarts in Nieuw-Zeeland.

‘Duizenden patiënten worden door hun huisarts in België vermoord, zonder dat ze daarom gevraagd hebben!” roept collega L. net verontwaardigd uit, als ik de koffiekamer inloop. „Dat laat exact zien dat het een hellend vlak is”, beaamt collega M. „Het gaat nu nog over euthanasie bij terminale zieken. Maar voor je het weet…” „En hebben jullie dat artikel gelezen over dat meisje in Nederland?”, valt L. hem in de rede, „dat seksueel misbruikt was en later depressief werd, met posttraumatisch stresssyndroom? Te moeilijk om te behandelen; dan maar euthanasie.” Plotseling kijkt de hele koffiekamer naar mij. Alsof ik dat meisje eigenhandig om het leven heb gebracht. „Maar het allerergste”, zegt een verpleegkundige, „is dat het hulpbehoeftige ouderen het gevoel zal geven dat ze egocentrisch zijn als ze zich níet laten euthaniseren, omdat ze een last voor de samenleving zijn.” Ik voel dat ik iets zinnigs moet zeggen over het nieuwe wetsvoorstel dat euthanasie wil legaliseren in Nieuw-Zeeland. Ik bedenk hoe mooi mijn Nederlandse collega Bert Keizer verwoordde dat een ‘hellend vlak’ alleen maar een zilvermerk is van een ethisch probleem. Ik geef toe dat we in Nederland inderdaad van ‘terminaal zieken’ naar ‘een stapeling van klachten’ naar ‘voltooid-leveners’ en ‘onbehandelbare psychiatrie’ zijn gegaan. Maar dat daar wel zo’n dertig jaar overheen is gegaan. En dat het Nieuw-Zeelandse wetsvoorstel heel specifiek over terminaal zieken gaat. Moet je die groep euthanasie ontzeggen om te voorkomen dat er over tien jaar misschien anderen in de rij gaan staan?

Maar ik kom hopeloos in de knoop. Tien minuten later lijkt het voltallige team zich in de koffiekamer te hebben verzameld: van receptioniste tot verpleegkundige, van fysiotherapeut tot sociaal werker. In een saamhorige wolk van verontwaardiging halen ze de meest vreselijke voorbeelden aan.

Twee weken later word ik tijdens mijn dienst gebeld door de dochter van een patiënt met terminale longkanker. Ze vraagt om een visite omdat de pijnstilling niet genoeg is. Als ik binnen kom ligt meneer O. in bed, omringd door zijn kinderen. Hij is uitgemergeld en zijn ademhaling komt met grote tussenpozen. Toch ziet hij er vredig uit. Ik leg de familie uit dat hij niet lijdt, dat hij de juiste dosis morfine krijgt en bespreek hun zorgen. Als ik naar buiten loop, pakt de dochter me plots bij mijn arm. „We zitten hier nu al zes dagen met z’n allen naast mijn vaders bed”, fluistert ze, terwijl ze me indringend aan kijkt. We zijn uitgeput. Mijn vrije dagen zijn op. Mijn broer moet morgen terug naar Sydney. Papa gaat sowieso dood. Kunt u hem niet een dubbele dosis morfine geven? Ik bedoel natuurlijk geen euthanasie ofzo. Maar gewoon de zaak een beetje versnellen? Nu zijn we er nog allemaal.”

Omwille van de privacy zijn herkenbare details aangepast.