Opinie

Nu moeten Spaanse politici nog leren hoe je een compromis sluit

Winst PSOE

Commentaar

Compromis is een woord dat zich lastig laat vertalen naar het Spaans: arreglo (schikking) of pacto (pact) komen nog het dichtste bij. Maar beide termen klinken eerder als een wapenstilstand na een hard gevecht dan het resultaat van een volwassen dialoog. Toch is dat laatste wat Spanje nodig heeft nu het politieke landschap er bij elke stembusgang verder versplintert, ook zondag weer.

Sinds het land in 1978 weer een democratie werd, kende het stabiele regeringen. Maar in de nasleep van de eurocrisis implodeerde het tweepartijenstelsel van de linkse PSOE en rechtse Volkspartij (PP). Verkiezingen en premiers volgen elkaar steeds sneller op.

Zondag werd de PSOE van demissionair premier Pedro Sánchez ruim de grootste – tegen een Europese trend van sociaal-democratisch verval in. Een knappe prestatie, maar nog geen stabiel regeringsmandaat.

Door de Spaanse politiek lopen nu drie breuklijnen. Naast de aloude verdeeldheid tussen liberaal en conservatief is er ook die tussen de twee oude partijen en drie jonge uitdagers. Eerder braken de ultralinkse protestpartij Podemos en de rechts-liberale Ciudadanos door. Zondag kwamen daar de ultrarechtse nationaal-populisten van Vox bij.

De derde breuklijn is misschien wel de diepste: wat te doen met eigengereide regio’s als Baskenland en Catalonië, waar een flink deel van de inwoners meer autonomie of zelfs onafhankelijkheid wil? Deze vraag is eeuwenoud, maar verlamt Spanje sinds Catalonië in 2017 een verboden afscheidingsreferendum doorzette.

Rechts wil de macht van regio’s inperken. De PSOE zegt open te staan voor meer federalisme. Podemos wil regio’s ‘recht op zelfbeschikking’ gunnen. Voor elke variant ontbreekt de brede consensus die nodig is voor aanpassing van de Grondwet.

Die constitutie, uit 1978, noemt Spanje „ondeelbaar”, maar gunt de 17 regio’s ook ruimte meer zelfbestuur te bevechten. Vooral de Basken en Catalanen regelden sindsdien meer competenties en geld voor zichzelf. Dat smaakte naar steeds meer.

De constitutionele bezweringsformule maakte de veelgeprezen Transitie van Franco-dictatuur naar democratie mogelijk. Maar ze is al jaren uitgewerkt en duur gebleken. Door de eurocrisis moest Madrid de regio’s uiteindelijk wel insnoeren. Die recentralisatie voedde de al langer sluimerende Catalaanse onvrede.

In reactie op het Catalaanse separatisme leefde in de rest van het land vervolgens het Spaanse nationalisme op. Rechtse partijen speelden daar deze campagne op in. Ze sloten samenwerking met Sánchez uit, omdat hij eerder zakendeed met de Catalanen. Ze verweten hem een ‘Frankenstein’-coalitie te willen vormen met ultralinks en (al dan niet separatistische) nationalisten uit de regio. Links zette het rechtse blok juist weg als ‘Francostein’: met een regering gedoogd door het ultrarechtse Vox zou Spanje terugkeren naar het fascisme van de dictatuur.

Beide overtrokken angstbeelden deden zondag een onverwacht hoog percentage kiezers opkomen. Goed nieuws voor de democratie, maar alle deels kunstmatige polarisatie over Catalonië staat een volwassen formatie de weg. De nu voorliggende Frankenstein-variant bleek eerder niet erg stabiel.

Dit terwijl de winnaars PSOE en Ciudadanos zonder Catalaans conflict best tot een meerderheidskabinet hadden kunnen komen, met een langere levensduur en meer ambitie voor de nodige economische hervormingen. Het toont dat Spanje snakt naar politici die – in de geest van de Transitie – compromissen sluiten om de Catalaanse kwestie duurzaam op te lossen.