Recensie

Recensie Film

‘Fight Club’: profetische spiegel van de tijdgeest

Fight Club Nadat ‘Fight Club’ was uitgekomen, verklaarden recensenten de film tot fascistisch pamflet. Maar daarmee deden ze de film tekort.

De verteller (Edward Norton) en Tyler Durden (Brad Pitt) in ‘Fight Club’.
De verteller (Edward Norton) en Tyler Durden (Brad Pitt) in ‘Fight Club’.
    • Dana Linssen

Het begon allemaal met een piemel. Of beter gezegd: het eindigde ermee. Want dat was het provocerende laatste beeld dat voor je gevoel minutenlang op het filmscherm nabrandde na afloop van de wereldpremière van David Finchers Fight Club op het Filmfestival Venetië, in september 1999. De film was zo vers dat er nog niet eens aftiteling aan zat.

Dus dat was dat. We hadden zojuist het mannelijk ego en de wereld zien exploderen. Pixies zongen ‘Where is My Mind’ en daar stond opeens die enorme pornopik in beeld. Net lang genoeg om niet gemist te worden. Net kort genoeg om daarna als een schuldig nabeeld op het witte doek te blijven gloeien. Helemaal in stijl met hoofdpersoon Tyler Durden. Hadden we immers niet eerder in de film gezien hoe hij flitsen porno door familiefilms monteerde om de goedburgerlijke goegemeente onderbewust te prikkelen? Instant shocktherapie.

Fight Club is nu een klassieker, indertijd stampte een generatie filmjournalisten verontwaardigd naar buiten. Puur fascisme, verklaarden ze aan wie het maar horen wilde. De belangrijkste onder hen schreef het ook op: „Fight Club is the most frankly and cheerfully fascist big-star movie since Death Wish”, aldus Roger Ebert, voor wie film een empathiemachine moest zijn. Death Wish, voor de goede orde, was een soort poor man’s Taxi Driver, een wraakfilm zonder rijm of reden.

Fight Club was behalve radicaal nihilistisch ook energiek, innovatief, ‘hell yeah’, recht voor z’n raap. Voelden we vlak voor de millenniumwende, vlak voor we massaal aan onze mobiele telefoons verslaafd raakten, al dat we ons op een breukvlak bevonden? Twintig jaar later blijkt Fight Club een griezelig profetische spiegel van de tijdgeest. Wie de ‘culture wars’ van nu wil begrijpen, vindt er volop aanknopingspunten: dit gaat over de digitalisering van ons wereldbeeld, de uitputting van de aarde, toxic masculinity en identiteitspolitiek.

De fascinatie van toen kan makkelijk in lichte scepsis omslaan. Cultschrijver Palahniuks boek Fight Club, op wie Fincher zijn derde speelfilm baseerde, muntte de term ‘snowflakes’, een door rechts gebezigde term voor overgevoeligheid van links. De roman is, zoals veel van zijn werk, een schizo-analyse van de laatkapitalistische consumptiemaatschappij. Zijn hoofdpersonen passen niet in het systeem en reageren daarop met agressie en zelfdestructie.

In Fight Club wordt alles in gang gezet als de naamloze verteller, een slapeloze verzekeringsagent, op zekere dag de viriele en vitale Tyler Durden ontmoet die met zijn laconiek-ludieke vorm van protestguerrilla zijn leven weer zin geeft. Het zijn kwajongensstreken, van stiekem pornografische shots in films monteren tot peperdure zeep van liposuctievet aan chique warenhuizen verkopen. Al snel worden hun acties radicaler en gevaarlijker. Het begint ermee dat Tyler onze verteller vraagt hem een klap in zijn smoel te geven. Binnen de kortste keren zijn er overal in Amerika illegale ‘fight clubs’. En niet veel later blijkt een semifascistisch terreurleger in de maak van ontevreden jonge mannen met als doel de creditcardmaatschappijen op te blazen. Hun ‘Project Mayhem’ gaat viraal, zou je in huidige internettermen zeggen, zonder dat iemand er nog greep op heeft. De eerste regel van ‘fight club’ is immers dat je er niet over praat. De tweede regel ook. Zo leidt dof onbehagen tot apocalyptisch geweld.

Sterke hedendaagse parallellen

Als Fight Club zo profetisch is als iedereen nu denkt, beland je al snel bij de Duitse filmtheoreticus Siegfried Kracauer, die in Duitse films van het interbellum – Metropolis, Das Cabinet des Dr. Caligari – achteraf talloze voorbodes vond van onderhuids sluimerend fascisme. Hadden Ebert en consorten dus indertijd gelijk met hun reacties op Fight Club? Of is er meer aan de hand?

Het antikapitalisme van de ‘Fight Clubbers’ kent sterke hedendaagse parallellen. Men haat de consumptiemaatschappij, omdat die hen tot slaaf heeft gemaakt – ‘The things you own end up owning you’ is een van de gevleugelde zinnen uit boek en film. Maar ze kunnen zich geen andere toekomst voorstellen dan totale destructie in een wereld die antikapitalisme subiet tot handelswaar maakt, met bedrukte T-shirts en al. Hoe ontsnap je aan zoiets? Door een nieuwe wereldorde te prediken die bij toverslag ontstaat als de oude met grof geweld is vernietigd – een idee dat IS, linkse accelerationisten en alt-right verbindt. En jezelf te positioneren als freelancer in chaos. Als Fight Club iets laat zien, dan is het dat met het postmoderne einde van de grote verhalen ook het einde van de grote vergezichten was. Fight Club projecteert ons naar een nihilistische toekomst, Heath Ledger deed dat als Joker in The Dark Knight tien jaar later dunnetjes over en dankzij Mr. Robot kan het inmiddels gewoon de boodschap zijn van mainstream-tv.

Lees hier de oorspronkelijke recensie van Fight Club

Veel discussies over Fight Club gingen destijds over het zinloze en zielloze geweld van de film. Een flink deel van het verhaal gaat immers over jonge mannen die zich vrijwillig in elkaar laten beuken, en dat schokte zelfs in de slipstream van Quentin Tarantino’s Nouvelle Violence. Het satirische karakter van de film werd vaak wel begrepen, maar niet bediscussieerd. Op dezelfde manier werd voorbijgegaan aan de wijze waarop Palahniuk en Fincher een crisis van ‘mannelijkheid’ blootlegden die veel virulenter bleek dan we toen nog konden vermoeden. Fight Club bevat veel verwijzingen naar afwezige vaders of rolmodellen – ‘We’re a generation of men raised by women’ heet het ergens. Veel toeschouwers van toen zijn de boze witte mannen van tussen de veertig en de vijftig van nu.

Fight Club wordt nu opvallend vaak geciteerd door de generatie van jongens die hún zonen kunnen zijn: de ‘incels’, onvrijwillige celibatairen die elkaar op internet vinden in vrouwenhaat. Van wie hebben die hun ideeën over wat mannelijk en vrouwelijk is, gekregen?

Maar dat rechtse subculturen ermee op de loop gingen, doet aan de film niks af. Fight Club, met name de film, gaat uiteindelijk over een hoofdpersoon die zich ook met zijn vrouwelijke kanten moet verzoenen. Geen film is zo atypisch en ambigu. Je zou die explosies van wolkenkrabbers bijna een orgastisch einde kunnen noemen.