De rode en de blauwe pil leven voort in de 21ste eeuw

The Matrix ‘The Matrix’ was de sensatie van 1999. De film stelde de vraag: maakt de waarheid vrij?

Neo (Keanu Reeves, links) versus Agent Smith (Hugo Weaving) in een van de vele spectaculaire vechtscènes in ‘The Matrix’.
Neo (Keanu Reeves, links) versus Agent Smith (Hugo Weaving) in een van de vele spectaculaire vechtscènes in ‘The Matrix’.

De rode of de blauwe pil? Hacker Neo krijgt in The Matrix uit 1999 die keus van Morpheus, een mentor zo cool dat hij ’s nachts een zonnebril draagt. Neemt Neo de blauwe pil, dan blijft alles zoals het is. Neemt hij de rode pil, dan doorziet hij de schijnwereld die de Matrix „over onze ogen trok”.

Uiteraard kiest Neo de rode pil: waarheid maakt vrij. En leert zo dat zijn bestaan – saaie programmeur bij dag, rebelse hacker bij nacht – een gesimuleerde realiteit is waarmee een Artificial Intelligence de mensheid rustig houdt. Neo bevindt zich niet echt in Sydney anno 1999, hij ligt ergens in de 22ste eeuw in een vat roze vloeistof als menselijke batterij die machines van stroom voorziet. Eenmaal ontketend, blijkt hij ‘The One’ te zijn die de mensen uit hun virtuele slavernij verlost.

The Matrix was de sensatie van 1999. Regisseurs waren de mediaschuwe zusters Lana en Lilly Wachowski, toen nog broers. Zij stellen nu dat The Matrix een transgenderfilm is. Neo’s zoektocht naar identiteit en transformatie is een parabel voor hun transitie. Het is dat zij dat zeggen: vermoedelijk hopen de Wachowski’s zo ook alt-right de pas af te snijden, dat zich meester heeft gemaakt van The Matrix. Op sites als Reddit staat ‘red pilling’ tegenwoordig voor bekering tot hun wereldvisie: alt-right stelt er dat blanken worden onderdrukt en mannen zuchten onder een feministisch juk. Absurd? Ja, dat dacht Neo eerst ook.

In twintig jaar kan veel gebeuren. White power vereenzelvigt zich met de zwarte Morpheus, vrouwenhaters omarmen een transgenderfilm. Hoe kan dat?

The Matrix was indertijd een surprise. Wat zich liet aanzien als een hippe cyberactiefilm uit het middensegment groeide uit tot popcultureel fenomeen. De film bleek een opwindend huwelijk van martial arts en heroïsche kogelregens uit Hongkong met cyberpunk en sadomasochistische esthetiek. Een digitale toverdoos die ‘bullet time’ populariseerde, waarbij de camera rond strijders draait die in de lucht bevroren lijken.

Filosofen raakten niet uitgeschreven over de grote concepten die The Matrix naadloos met dat knokken en schieten verweefde: Plato’s Grot, Descartes’ cogito, ergo sum (Ik denk, dus ik besta), de ‘brein in een vat’-hypothese: hoe bewijs je dat onze zintuiglijke waarneming meer is dan een elektrische prikkeling van een brein dat in een vat dobbert? De Wachowski’s suggereerden koket hun intellectuele ambitie: hacker Neo verstopt illegale sofware in een uitgehold exemplaar van het boek Simulacra and Simulation van Jean Baudrillard, dat betoogt dat een gesimuleerde hyperrealiteit de realiteit heeft verdrongen.

Indertijd las je soms dat The Matrix „de eerste film van de 21ste eeuw” was. Achteraf blijkt het eerder de culminatie van een cyclus van existentiële paranoia: de jaren negentig waren hoogtijdagen voor complotdenken. Vóór The Matrix bleek de realiteit al een enorme leugen van aliens (They Live, 1988, Dark City, 1998), of van een elite die ons van aliens afschermt (Men in Black, 1997) of een grote realityshow (The Truman Show, 1998). Anderen ontwaakten moeizaam uit een neprealiteit om te beseffen dat ze sterven (Jacob’s Ladder, 1990) of reeds zijn overleden (The Sixth Sense, 1999). In Total Recall (1990) en eXistenZ (1999) verdwaalden de helden in virtueel vermaak, The X-Files en Conspiracy Theory (1997) postuleerden dat alleen complottheorieën kloppen.

Existentiële paranoia

Die existentiële paranoia was een luxe die Amerika zich na de ontnuchtering van de 9/11 niet langer wilde permitteren: de realiteit bleek weer even grimmig en interessant genoeg. The Matrix, stilistisch overal gekopieerd, vond inhoudelijk weinig navolging.

Toch is de film onvergetelijk. Op een dvd-commentaar uit 2000 hoorde ik iemand voorspellen dat dit dé mythe van de komende generatie werd, zoals eerder Star Wars. Beide films zijn klassieke ‘hero’s journeys’: een onbeduidende boerenpummel / kantoorslaaf wordt door een mentor (Obi Wan Kenobi, Morpheus) op avontuur gestuurd om een onderdrukker (Darth Vader, Agent Smith) te verslaan en de mensheid te redden.

Zijn fanschare bij alt-right verklaarde Bas Heijne in 1999 al zo’n beetje. „Doe een stap terug en je ziet dat The Matrix [...] inspeelt op een heel vertrouwd onbehagen, namelijk het onbehagen dat onze wereld niets anders is dan onze wereld”, schreef hij. In allerlei films overstijgen helden het alledaagse om zichzelf te verwezenlijken in een hogere, magische wereld: zie Harry Potter. Maar in The Matrix is het alledaagse ook geestelijke slavernij terwijl de ‘echte wereld’ ná de rode pil „een vergaarbak is van de menselijke verbeelding waarin alles mogelijk is”, aldus Heijne: „Verlossers, levitaties, orakels, openbaringen en grote, voorbestemde liefdes.” Een „natte droom van cyberzombies” die je laat geloven in „buitenissige samenzweringstheorieën en schijnopenbaringen”. Is de realiteit de perfide leugen, dan geldt immers credo quia absurdum: ik geloof omdat het absurd is.

Lees hier de oorspronkelijke recensie van The Matrix

Zo vreemd is het dus niet om in Thierry Baudet met zijn woest romantische, boreaalse hyperbolen een Neo te zien: hij lijkt wel een beetje op acteur Keanu Reeves. De Wachowski’s voelden indertijd ook al nattigheid. In de ten onrechte versmade vervolgfilms The Matrix Reloaded en The Matrix Revolutions (2003) is Neo niet langer een messias, maar een periodiek door de machines getolereerde anomalie die het onbehagen van de mensheid kanaliseert. De machinewereld is niet het kwaad, maar een complexe en intern verdeelde samenleving. Mens en machine zijn wederzijds afhankelijk, hun toekomst is symbiose.

Gewoon die blauwe pil maar slikken dan? Dat was het medicijn van de Poolse visionair Stanislaw Lem, uit wiens novelle Der futurologische Kongress uit 1972 de Wachowski’s onder meer het idee van een rode en blauwe pil leenden. Lem schilderde een bleke toekomst van overbevolking, armoe en honger die door pillen en virtueel vermaak toch als paradijs wordt ervaren.

Regisseur Ari Folman, die Lems novelle in 2014 verfilmde, vertelde me dat een leven zonder illusies onmogelijk is. „Omdat dan zo’n nare leegte gaapt.” Verwerpen we onze bescheiden illusies, dan komen daar steevast groteske, irrationele en bloeddorstige illusies voor in de plaats. De rode pil geeft Neo het recht burgers bij bosjes te mitrailleren en een helikopter in een wolkenkrabber te rammen. Zich te gedragen als een terrorist die de mensheid door een zee van bloed naar de enige waarheid leidt. Een blauwe pil is zo gek nog niet.