Recensie

Recensie Beeldende kunst

Ceija Stojka ging schilderen na de holocaust

Beeldende kunst Ceija Stojka overleefde Auschwitz, Ravensbrück en Bergen-Belsen. En toen ging ze schilderen. Zelden was er een tentoonstelling waar kunst zo gelijk staat aan de veerkracht van de mens.

Ceija Stojka, Zonder titel, 1995 (69,5 x 99 cm), collectie Antoine de Galbert, Paris
Ceija Stojka, Zonder titel, 1995 (69,5 x 99 cm), collectie Antoine de Galbert, Paris Foto Célia Pernot
    • Sandra Smets

Misschien kwam het door de dood van haar zoon, misschien was het de groeiende vreemdelingenhaat in Oostenrijk, maar wat de reden ook was: van de ene op de andere dag begon Ceija Stojka (1933 – 2013) haar jeugdherinneringen te schilderen, toen ze vijfenvijftig was. Het was een jeugd waarover ze gezwegen had. Als Oostenrijks meisje van Roma komaf had ze de gruwelen van Auschwitz, Ravensbrück en Bergen-Belsen bij godswonder overleefd. Dat is wat ze ging schilderen na al die jaren: de kampen, het prikkeldraad, de folteringen, de door nazi’s leeggehaalde woonwagens. Kunst is geen enkele manier om recht te doen aan die gebeurtenissen, maar misschien, als je haar tentoonstelling ziet in Museum Het Valkhof in Nijmegen, geloof je dat kunst ook een manier is om ermee te kunnen blijven leven.

Dat u Stojka niet kent, dat klopt. Na een documentaire (die draait in de expositie) werd haar werk pas laat opgemerkt. Bredere bekendheid kwam met exposities in herinneringscentra en in het inmiddels opgeheven Maison Rouge in Parijs, dat voor Stojka de sluiting een paar maanden uitstelde. Nagenoeg dezelfde tentoonstelling staat nu in Het Valkhof. Deze volgt de chronologie van Stojka’s leven. Dat begint zoet. Kleurige schilderijen tonen een onbekommerd vooroorlogs leven. Centraal staan woonwagens van de Lowara, Roma paardenhandelaren waar Stojka toe behoorde. ‘Toen we rondtrokken’ heet deze zaal, een sprookjesachtig leven, velden met zonnebloemen en klaprozen, bossen en heuvels.

Ceija Stojka, 1995 Foto Christa Schnepf

‘Auschwitz een plek zonder fruit’

Tot de vervolging begon. Ze schilderde het in een naïeve stijl die past bij de autodidact die ze was. Verf pakte ze beet, kneedde erin, en wreef het uit op het doek: horizontaal het prikkeldraad, verticaal de schoorstenen. Beeldende kunst of literatuur waren geen vanzelfsprekendheid bij de vooral muzikale Lowara, en Stojka was nagenoeg analfabeet. Toch ging ze schrijven op haar schilderijen. Haar moeizame en fonetische schrijfwijze lijkt, in zekere zin, te passen. De woorden raken daardoor verkrampt, onbedoeld onderstrepend dat geen woorden dit kunnen uitdrukken.

De woorden ‘Auschwitz een plek zonder fruit’ en ‘Mama, waar is Ossie?’ begeleiden de naïeve stijl waarmee ze terugkeert naar dat tienjarige meisje in Auschwitz. Rechttoe rechtaan is de stijl banaal, maar volkomen oprecht en daardoor vol scherpte. Gaande de jaren vond ze meer manieren. Enerzijds ging ze beelden voller maken met figuren die tussen de kampstructuren worden weggedrukt naar de randen, in een wereld waarin geen lucht en adem meer bestaat. Anderzijds werden ze juist kaler. Strepen duiden de uitgemergelde lichamen aan, ronde vormen het leven dat volhoudt en elkaar vasthoudt, Ceija aan haar moeder met wie ze de kampen overleefde en die de bevrijders moest troosten. Ze konden de aanblik van het kamp niet verdragen. Niets is Stojka bespaard gebleven, het is dan ook geen kunst die de beschouwer spaart. En toch was er zelden een tentoonstelling waar kunst zo gelijk staat aan de veerkracht van de mens.

Ceija Stojka Landleven, 1993, acryl op karton, (50 x 64,5 cm), collectie Meier, Wenen Foto Célia Pernot

Negentig procent van de Oostenrijkse Roma werd vermoord, ook broertje Ossie, hun vader, en meer familie. Een vrolijk einde kan niet maar Het Valkhof, en vermoedelijk Stojka bij leven ook, wilden toch iets positiefs brengen. De knalgele slotzaal heet ‘Terugkeer naar het leven’ en bevat de idylle van woonwagens tussen bloeiende velden. Het gaat over de kracht van het nomadische bestaan om daar waar je samenkomt, in een paar dagen een heel bestaan op te bouwen. Toch oogt die kleurige weelde omineus – veel van dit alles ging kapot – maar het was ook, zoals ze bij een tekening schreef, een triomf: „Hitler, wij leven.”