Opinie

    • Coen van Zwol

1999 was een bijzonder filmjaar

Coen van Zwol ‘The Matrix’, ‘Fight Club’, ‘The Blair Witch Project’, de laatste film van Stanley Kubrick, de eerste van Spike Jonze; was het filmjaar 1999 werkelijk zo uitzonderlijk? Coen van Zwol zet de factoren op een rij waarom dat – inderdaad – zo was.

Zijn filmjaren als wijnjaren? En zo ja, was de filmoogst van 1999 dan uitzonderlijk? Veel filmblogs en -bladen kijken dit jaar onder het motto ‘it was twenty years ago today’ terug op de visionaire, vreemde films van 1999. Wij doen dat nu ook.

Wat maakte 1999 tot zo’n bijzonder filmjaar? Een eerste vaststelling: dat gold vooral voor Hollywood. En dankzij vier factoren.

Ten eerste. De ‘Indie’ – onafhankelijke film – piekte in 1999. In de jaren tachtig maakte Hollywood vooral formulefilms, tot Harvey Weinsteins filmbedrijf Miramax, sinds 1993 een dochter van Disney, wel erg veel recette en Oscars afroomde met zijn ‘volwassen’ filmaanbod. Om dat verloren terrein terug te winnen, richtten de grote studio’s kwaliteitsafdelingen op: Sony Pictures Classics, Fox Searchlight. Die joegen gezamenlijk op jong, grensverleggend talent en wilde ideeën.

Ten tweede: computereffecten, of CGI. Die kwamen tot wasdom met de digitale dino’s van Jurassic Park (1993) en de eerste 3D-animatiefilm Toy Story (1995). Anno 1999 leek visueel alles mogelijk terwijl internet en virtual reality tot duizelig utopisme leidden. Tijd, plaats, realiteit: alles was maakbaar.

Ten derde: Quentin Tarantino. Pulp Fiction (1994) was veel meer dan een startschot van ‘Nouvelle Violence’, bloedige misdaadfilms met vulgaire, filosofische en welbespraakte gangsters. De bevrijdende werking van Tarantino herinnerde aan Jean-Luc Godard. Hij leerde dat de canon van de goede smaak oersaai is, dat er veel meer te halen viel bij obscure, louche B-films. Tarantino’s asynchrone scenario’s herinnerden eraan dat films een begin, een eind en een midden hebben, maar niet noodzakelijk in die volgorde.

Maar waarom stak Hollywood zulke bedragen in ongewisse avonturen als The Matrix (63 miljoen dollar), Fight Club (63 miljoen), Magnolia (37 miljoen) of Being John Malkovich (13 miljoen)? Punt vier: It’s the economy, stupid. De dvd was uitgegroeid tot een rage die elke in de bioscoop geflopte film alsnog tot melkkoe maakte. Hollywoods logica werd: zoveel mogelijk films maken om zoveel mogelijk schijfjes te persen. Die trend piekte in 2006, toen Hollywoods zes grote studio’s 204 films uitbrachten en hun ‘home divisions’ door de dvd 25 miljard dollar verdienden. Daarna werkten internetpiraterij en opkomende filmmarkten als China een nieuwe logica in de hand: concentratie op een gering aantal ‘blockbusters’.

In 1999 was al een andere tegenbeweging zichtbaar. Leidde al die vrijheid niet tot cerebrale, kunstmatige films? Tot stijl over substantie? In 1995 presenteerden de Denen Lars von Trier en Thomas Vinterberg hun ‘kuisheidsgelofte’ Dogme, die filmmakers tot strenge beperkingen uitdaagde: geen kunstlicht, studiogeluid, decors, special effects of genretrucs. Een Dogmefilm als Festen – hier in 1999 in de bioscoop – was rauw, lelijk en echt.

In Cannes gunde de jury de Gouden Palm in 1999 aan het sociaal-realistische Rosetta van de gebroeders Dardenne. De spotgoedkope, quasi-documentaire horror van The Blair Witch Project was een andere voorbode van less is more. Na 9/11 zette een grimmig realisme door. Het feest was even voorbij; 1999 was een waterscheiding.

Coen van Zwol is filmrecensent.