Opinie

Zie de mens. Hij is erg. En erg ontwapenend

Marjoleine de Vos

Meestal gebeurt het in de vakantie, als je een uitstapje maakt. Je bent ergens en daar zijn heel veel mensen die ook komen kijken naar wat er op het Forum Romanum te zien is, welke bollen zijn uitgekomen of hoe de zee erbij ligt. Ze lopen in drommen over treinperrons en stoepen. En je kijkt, even alsof je er zelf niet helemaal onderdeel van bent, en dan verwonder je je. Dat we ons allemaal ’s ochtends aangekleed hebben, dat iedereen daar opvattingen over gehad heeft, wat wel en niet, welke sokken, sjaal, sieraden, jasje precies bij vandaag zouden passen.

En dan lijkt het ineens zo ontzaglijk onbelangrijk. De ene mens of de andere, een roze T-shirt of een lichtblauw, gouden gympen of oranje, zorgvuldig getrimde baard of dunne haren – het maakt zo weinig uit. Niets eigenlijk. Mensen.

Ze lopen allemaal op hun eigen manier. Net als dieren. Maar o wat een eigenaardige dieren! Ze gaan rechtop, op de achterpootjes. Ook dat is plotsklaps sterk bevreemdend. Een gedicht van de Zuid-Afrikaanse dichteres Wilma Stockenström schiet me te binnen, waarin ze zich precies dat afvraagt: waarom niet gewoon op vier poten? Op handen en voeten zou de mens toch ook best hebben kunnen leren lezen en schrijven, de relativiteitstheorie hebben kunnen bedenken ‘met minder rugklachten’ ook nog, godsdienst beoefenen, piano spelen. Op handen en voeten is eten en drinken een spelletje,/ paren vanzelfsprekend. Alles kan.

Ik lach achter mijn treinraampje en mompel in mezelf: „Daar staan hy nou met sy weekdele bloot,/ die mens, die sot […]” Maar de weekdele zijn juist niet bloot, die zouden ook wel erg in het oog springen zonder al die kleren erover. Vooral bij de man, heel anders dan bij de viervoeters.

Het is heel gemakkelijk om de mens een beetje belachelijk te vinden. Het is ook heel makkelijk om de mens een afschuwelijke soort te vinden. Mensen slachten elkaar op de vreselijkste manieren af. Ze verwoesten de natuur, verwoesten wat ze zelf eerst met inspanning hebben gemaakt, ze zijn zo agressief.

Laatst zei iemand dat de planeet veel beter af zou zijn zonder mensen. Misschien wel. Maar dan kom je meteen in het duizelingwekkende vraagstuk van ‘voor wie dan?’ Wat is ‘beter’ als er geen bewustzijn meer is om dat waar te nemen? Misschien gaat er ergens in het heelal nu wel een planeet te gronde door zijn bewoners, maar we weten het niet en het maakt net zo weinig uit als dat roze T-shirt van die mevrouw – nee veel minder, dat T-shirt is tenminste waargenomen door haarzelf, door mij, door allerlei anderen.

Enfin. Die kant maar niet op. Want juist de laatste tijd was de mens soms ook weer zo ontwapenend. De groepjes mensen die bij de brandende Notre-Dame stonden te zingen – waarom is dat toch zo ongemeen ontroerend? Dat is het altijd, vind ik, als een mensenmenigte spontaan zingt, uit rouw, als roep om bijstand, als teken van saamhorigheid. Nee, niet het enge gebrul van groepen jonge mannen die hun strijdliederen aanheffen, maar wel een menigte die klaagt en zingt.

In de paasnacht liepen om de dorpskerk mensen met kaarsen, ze zongen: „Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft” en het was alles wat de mensen zo vertederend maakt: mooi als ritueel, belachelijk ook, want iemand liep in het donker tegen een grafsteen op, de kaarsen van het vuur dat nooit meer dooft woeien meteen uit, maar die ijle, soms wat onvaste stemmen in de nacht die tóch beweren dat ze uit het duister, hoe diep ook, naar het licht zullen gaan – ja. Zie de mens. „Daar staan hy nou.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.