Domweg ongelukkig op de tennisbaan

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over veertienjarigen die de droom van hun ouders moeten verwezenlijken.
Illustratie Eliane Gerrits

‘Hoe is het met je vader?”, vraag ik Kevin wanneer hij in de paasvakantie even dag komt zeggen. Hij haalt zijn schouders op. „Ik zie hem bijna nooit meer”, zegt hij. Hij kijkt weg. Ik realiseer me dat ik zijn vader ook al een tijd niet meer heb gezien.

Ik herinner me de eerste keer dat ik hen beiden zag op de tennisvelden, alweer zo’n zeven jaar geleden. Het was een stralende dag, het geurde nog naar zomer. De witte schoenen op het gravel reflecteerden het felle zonlicht.

Kevin, donker haar, olijfkleurige huid, sloeg de ene na de andere bal over het net. Zijn vader, de gelijkenis was sprekend, maakte aantekeningen, om hem na de wedstrijd commentaar te geven. Waar ik veertienjarigen vol plezier zag spelen, zag Kevins vader een loopbaanpad.

Kevins vader vond dat je het leven van je kinderen niet aan henzelf kon overlaten. Die weten immers nog niet hoe de wereld in elkaar zit. En zeker niet zijn Kevin, een gevoelige jongen. Het liefst had hij het leven van zijn zoon helemaal overgenomen.

Ik was net vertrokken uit Nederland en liet zoals de meeste Hollandse moeders onze kinderen vooral hun gang gaan. Volg je hart, doe waar je zin in hebt. Geen enkele andere ouder hier stond er zo tegenover. Vrijwel iedereen had een meer of minder uitgestippeld plan voor zijn kinderen voor ogen.

Kevin kreeg een tennisbeurs, tot grote opluchting van zijn vader, die op deze manier de studie van zijn zoon kon betalen. Maar hij raakte in paniek toen Kevin zijn motivatie verloor omdat hij in een lage competitie speelde. Zijn vader drong er bij hem op aan beter zijn best te doen. Hij riep ons op hem te komen aanmoedigen. Dan zat hij weer op de tribune met zijn aantekenboekje. „Stond ik daar maar, in plaats van Kevin”, zei hij dan.

Maar Kevin was er domweg niet gelukkig. Na een half jaar was er weinig over van dit eens zo vrolijke kind. Zijn vader kon roepen wat hij wilde. Tegen het eind van het jaar was er iets in hem geknakt. Sinds drie jaar werkt Kevin in de bediening, in een restaurant. Hij volgt wat vakken bij een community college. Maar echt gemotiveerd is hij niet.

Als onze hond binnenkomt, begroeten ze elkaar als twee oude vrienden. „Mijn vader schaamt zich voor me”, zegt Kevin. „Wat moet hij nog vertellen tegen zijn collega’s? Al dat harde werken was voor mij. Zijn investering voor mijn toekomst. En ik schaam me dat ik hem teleurstel. Ik heb mijn toekomst vergooid.”

„Kom op Kevin”, zeg ik. „Je bent pas 22. Je begint net.”

Hij veert op als ik de gieter vul met water. „Weet je nog”, zegt hij, „dat ik op jullie hond paste?” Ik weet het nog. Hij stuurde vrolijke foto’s naar ons.

„Dat plantje daar”, zegt hij, en wijst naar het gele pantoffelplantje op de vensterbank. „Dat hing toen helemaal slap. Ik was zo bang dat het dood zo gaan. Elke dag gaf ik het een paar druppels water. Ik kwam er zelfs voor terug om het in de zon te zetten.”

Gelukkig leefde de plant weer op.

Reacties naar pdejong@ias.edu