Opinie

    • Bert Pol

Baudets taalgebruik: authentiek of ouderwets corporaal?

Het zou weleens Baudets ‘authentieke’ taalgebruik kunnen zijn dat zijn aantrekkingskracht verklaart, schrijft communicatiewetenschapper Bert Pol in de Gedragscolumn.

Foto Olivier Middendorp

De vriendelijke serveerster vroeg of ik nog iets wilde drinken. „Of bent u OK?” „Ik ben OK”, zei ik, „maar toch wil ik nog wel iets drinken.” Mijn ironie was kansloos. „Helemaal goed”, zei ze.

Naast me namen vier hippe dertigers een zakelijk voorstel door. Het waren vast reclamemensen, want ze hadden het over „de learnings”. En of er nog „insights” waren om in het voorstel te verwerken? „Want vanmiddag moeten we wel een beslissing maken.”

Een collega van de serveerster zette een bord voor mij neer en blafte mij gebiedend toe: „Geniet ervan!” Aan een van de dertigers naast me vroeg hij: „Nog een biertje?” Die zei: „Nee, dank je, ik ben goed.”

Nekharen

Nieuwe uitdrukkingen verspreiden zich als een besmettelijk virus. De eerste keer dat ik iemand hoorde zeggen ‘zij was helemaal blij’ gingen mijn nekharen overeind staan. Hoe kan je dat nu zeggen? Kan iemand ook half blij zijn? Nu hoor je niet anders: helemaal goed, helemaal prima, helemaal blij. Inmiddels ben ik er niet meer helemaal geïrriteerd door.

We zijn na-apers. Sociaal gezien heeft dat ook zijn voordelen. Een groot deel van ons dagelijks leven verloopt volgens een aantal vaste patronen, de ongeschreven regels van de groepen waarvan we deel uitmaken. Dat geeft enige mate van houvast: als je op een voorspelbare manier handelt, zijn de reacties van de meeste mensen om je heen ook voorspelbaar. Wie vriendelijk en redelijk is, wordt op zijn beurt vaak vriendelijk en redelijk behandeld. Als je iets in het openbaar hebt toegezegd, houd je je daar ook meestal aan, want wie dat niet doet, is een draaikont en zo willen we niet bekendstaan. Sla er Robert Cialdini’s inmiddels overbekende boek Invloed maar op na.

Voortzetting

Die vrij grote mate van voorspelbaarheid van ons sociale gedrag, lijkt op Wittgensteins taalspelen: ook taalgebruik kent een ongeschreven set spelregels die in de groep waar we deel van uitmaken zonder nadere toelichting begrepen worden, maar die buitenstaanders niet herkennen. Zoals mijn lichte ironie niet tot de serveerster doordrong. Het ‘geniet ervan’ van haar collega zal hooguit op minachting stuiten in kringen waar de impliciete spelregel is dat je dat niet zegt, net zomin als ‘eet smakelijk’. Of nog erger: ‘smakelijke voortzetting’.

Tegelijkertijd hechten we aan originaliteit en authenticiteit. Dat lijkt een rare contradictie. Maar ook dat is na-aperij: we willen authentiek zijn omdat iedereen vindt dat je authentiek moet zijn. Je kan zelfs een cursus volgen in authentiek leiderschap. (Als authenticiteit is aan te leren, wat is er welbeschouwd dan nog authentiek aan?)

Frisse wind

De aantrekkingskracht van wat anders is, wat je met wat goede wil origineel of authentiek kan noemen, zou ook wel eens de reden kunnen zijn waarom zo veel Nederlanders op Thierry Baudet stemden. Ik heb in journaals en talkshows namelijk geen enkele geïnterviewde gehoord die kon aangeven wat zijn partij wil, ook nieuwe Statenleden niet. Steeds weer terugkerende geluiden waren ‘alles moet anders’, ‘politici van andere partijen zijn allemaal onbetrouwbare draaikonten’, ‘die zijn alleen met elkaar en zichzelf bezig zijn en luisteren niet naar het volk’, ‘Baudet laat eindelijk een frisse wind door de politiek waaien’.

Vijftien jaar geleden was Wilders op die manier origineel. Blijkbaar is de originaliteit daarvan inmiddels verbleekt.

Is Baudets taal dan origineel, met zijn uil van Minerva, Latijnse citaten en het boreale noorderlicht? Het lijkt me ouderwets corporale taal, afkomstig van wat ooit de kweekvijver van de Nederlandse elite was.

Hoe leuk is dat! Geniet ervan! Of bent u OK?

In de Gedragscolumn reflecteren gedragswetenschappers op de actualiteit. Bert Pol is verbonden aan de afdeling Communicatiewetenschap van de Universiteit Twente en vennoot van Tabula Rasa Den Haag.