Camping Fort Oranje in Rijsbergen, voor de ontruiming twee jaar geleden.

Foto's Merlin Daleman

‘Straks worden alle campings een soort Fort Oranje’

Verval vakantieparken Twee jaar na de ontruiming van Fort Oranje blijkt dat een kwart van de vakantieparken en campings in verval is. De sector, die vroeger zo gemakkelijk geld verdiende, moet zichzelf opnieuw uitvinden.

Vanuit zijn kantoor op de eerste verdieping overziet Cees Slager het Molecaten Park Landgoed Ginkelduin. Het oogt aangeharkt, bezoekers fietsen het park uit om de bossen rondom Leersum, een dorp op de Utrechtse Heuvelrug, te verkennen. ’s Avonds warmen ze zich rond de vuurkorf, een paar dagen later gaan ze uitgerust weer huiswaarts.

Een vakantiepark vol toeristen: het klinkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet altijd.

Sinds de ontruiming van camping Fort Oranje in het Brabantse Rijsbergen twee jaar geleden, waar vooral buitenlandse arbeidsmigranten vertoefden, kampt de recreatiesector met een verslechterd imago. Sommige campings en vakantieparken blijken sociale afvoerputjes van de samenleving.

Dat doet pijn bij Cees Slager (69), die al zo’n vijftig jaar in het vak zit. Hij nam op twintigjarige leeftijd Molecaten Vakantieparken over, nadat zijn vader was overleden. De huisjes sloopte hij, opgejaagd door de snelle opkomst van Center Parcs (open haard, kleurentelevisie!) en is dat sindsdien blijven doen.

Tegenwoordig heeft het bedrijf zeventien parken en is de leiding in handen van Slagers kinderen. Zij gaan met hun tijd mee: de nieuwe accommodaties worden van materiaal gebouwd dat over tien jaar hergebruikt kan worden.

Slager richt zich op zijn voorzitterschap bij Recron, dat opkomt voor de belangen van 1.500 bedrijven in de recreatiesector. Het is een organisatie met veel politieke contacten – zelf adviseerde Slager een tijdje de Europese Commissie over toerismebeleid.

Camping Fort Oranje in Rijsbergen, voor de ontruiming twee jaar geleden. Foto's Merlin Daleman

Als voorzitter heeft hij het druk. Onlangs nog werd er na moeizame onderhandelingen een nieuwe cao voor de recreatiesector afgesloten, waar zo’n 20.000 werknemers onder vallen. Zij krijgen 5,75 procent erbij over de komende twee jaar.

En dan is er nog de kwestie van wat de sector moet doen met sites als Expedia en Booking. „Kleine bedrijven hoeven dankzij die platforms geen reclame meer te maken, maar hebben niet in de gaten dat hun afhankelijkheid van Booking heel groot is. Als die zegt: we sturen de klant naar jouw buurman omdat daar de marge hoger ligt, dan is het gedaan. Die overwegend kleine standalone bedrijven hebben als Faust hun ziel verkocht.”

Een eigen boekingsplatform van Recron, elkeplek.nl, moest tegenwicht bieden, maar daar werd vorig jaar de stekker uit getrokken. „Het kwam te laat, we konden onvoldoende individuele ondernemers overtuigen om mee te doen. En de grote spelers bleven terecht hun eigen boekingsystemen houden.”

Verpaupering

Het meest urgente dossier blijkt ook het meest hardnekkige: het overaanbod op de Nederlandse recreatiemarkt. Naar schatting zijn er van de 4.300 campings en recreatieparken in Nederland zo’n 1.500 ‘niet vitaal’. In andere woorden: er is geen markt meer voor ze. De parken, meestal kleinere bedrijven, trekken géén toeristen aan, en kunnen lokaal „een puist aan ellende opleveren” – zie het geval Fort Oranje.

De oorzaak ligt in de jeugdigheid van de sector. Pas in de jaren zestig kwam het toerisme in Nederland op, door een combinatie van meer vrije tijd, toenemende mobiliteit en een hoger inkomen. Tot diep in de jaren tachtig was een vakantiepark of camping daarom een goudmijntje. De gasten kwamen wel. Slager: „Het leidde tot luiheid in de sector.”

Toen de prijs van vliegtickets in de jaren negentig onverwacht kelderde en het buitenland bereikbaar werd, bleken veel parken daar niet op voorbereid. Plotseling was er een enorm overaanbod, en wie geen kapitaal had om te investeren in kwaliteit en voorzieningen, wachtte verpaupering.

Zie hier het ontstaan van de Fort Oranjes: campings waar toeristen al jaren bij wegblijven, maar die bewoond worden door sociaal zwakkeren.

Slager: „Dan ga je verhuren aan gescheiden gezinnen. Die trekken weg en dan krijg je de volgende schil: arbeidsmigranten. En dan vervolgens mensen die onder de radar willen blijven, wat leidt tot verloedering. Neem de wietcultuur in Limburg en Noord-Brabant: Je bent toch heerlijk afgeschermd op zo’n park.”

Of permanente bewoning is toegestaan, verschilt per gemeente. De hardnekkigheid van het probleem ligt erin dat onroerend goed een residu-waarde heeft. „Er is altijd iemand anders die iets met die grond kan; ik heb nog maar drie keer meegemaakt dat een bedrijf failliet ging.”

En het hardnekkige bestaan van die parken straalt negatief af op de rest. Gevolg: lokale overheden die nog meer gaan controleren. „Terwijl die goede 75 procent alláng de zaken op orde heeft. Als we niet oppassen, worden we allemaal Fort Oranje genoemd.”

Spagaat

Een oplossing vinden is lastig. „Met Recron nemen we afstand van dergelijke parken. Wij zeggen: we geven mensen een mooie vakantieweek, we hebben niks te maken met die 25 procent. Tegelijkertijd werken we met de overheid, het Openbaar Ministerie, politie en burgemeesters om te kijken hoe we die afstand kunnen vergroten.”

Lees ook: Het einde van de ‘criminele woonwijk’ Fort Oranje

Daarbij zit de branche in een spagaat. Meer regels kunnen helpen bij de aanpak van die 25 procent, maar „de goede 75 procent krijgt dan nóg meer last van regeldruk en controles.”

De tucht van de markt zou kunnen helpen, maar de goed draaiende economie wakkert het probleem verder aan. Aan de ene kant is de woningmarkt oververhit, waardoor er nauwelijks betaalbare woningen zijn, anderzijds is er door krapte op de arbeidsmarkt veel behoefte aan arbeidsmigranten, die óók huisvesting nodig hebben. Slager: „En waar kijkt men dan? Er staat nog wel een camping in de buurt, stop ze dáár maar even.”

Dergelijke parken staan haaks op wat Slager als de belangrijkste taak van de sector ziet: ontplooiing. „De letterlijke betekenis van recreëren is herscheppen”, zegt Slager. „Je herschept jezelf zoals je wil. Onze sector is bij uitstek de plek waar je jezelf kunt ontplooien. Je hebt er menselijk contact. Je staat naast iemand met een tentje, die je groet en vraagt: waar kom je vandaan?”