Zingen met 120 stappen per minuut

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: wandelliedjes en marsliederen.

Vierdaagsewandelaars. Zingen was meligheid in Nederland.
Vierdaagsewandelaars. Zingen was meligheid in Nederland. Foto Vincent Jannink/ANP

Als de Bundeswehr eind april 1956 bijna een jaar bestaat, gaat een redacteur van het Algemeen Handelsblad er eens een kijkje nemen. Was dit wel een betrouwbare club of was het gewoon weer de Wehrmacht geworden? In Andernach was een dag voor de pers georganiseerd, de Duitsers zetten er hun beste beentje voor.

Het viel allemaal geweldig mee. De Duitsers reden nu in jeeps en Patton-tanks (de Tiger was weggedaan), er liepen Amerikaanse instructeurs rond en er werd geëxerceerd op een vriendelijke toon. De Bundeswehr leek warempel wel gedemocratiseerd.

Toen barstte een marcherend peloton opeens uit in een animerend marslied. Geschrokken liet de redacteur weten dat dit „een onaangename herinnering” wakker riep. Zingen Nederlandse soldaten dan niet, werd hem beleefd gevraagd. Jawel, zei hij, maar niet op commando en alleen populaire radioliederen en zelfverzonnen onzin als Een potje met vet. In Holland houden we niet van collectief geacteerde mannelijkheid.

Dat ‘potje met vet’

We leiden eruit af dat het Bundespeloton een klassieker ten gehore bracht, misschien wel Auf der Heide blüht ein kleines Blümelein.

Zong de Nederlandse soldaat niet? Afgelopen week viel daarover nog geen zekerheid te krijgen. Wel werd bevestigd dat er rond 1965 niks gezongen werd anders dan, tijdens de Avondvierdaagse, dat ‘potje met vet’ en Wat doen we met de keizer van Japan (we hakken hem in mootjes – afgeleid van She’ll be Coming ’Round the Mountain). Hoogstens nog: Ik sta op wacht (zonder broek, zonder hemd). Zingen was meligheid.

Was het vroeger beter? Dat valt te bezien. Bij antiquaren vind je nog de Zangbundel voor het Nederlandsche Leger, rond 1916 uitgegeven op last van de minister van Oorlog, ongetwijfeld met wervende bedoelingen. Maar de opgenomen liedjes zijn zó kwezelachtig drakerig, zo absoluut zum kotzen, dat het weinigen geïnspireerd kan hebben. Anderzijds: je weet het niet.

Populaire radio-schlager

Eigenaardig is dat de Nederlandse schooljeugd rond 1956 wél op commando zong, en uitgerekend de liedjes die de vroegere Wehrmacht ook zo graag liet horen. Niet dat dat op dat moment bekend was, de liedjes waren al zó lang geleden vertaald en bewerkt en nóg eens bewerkt dat de oorsprong niet meer duidelijk was, maar dat is juist tegenwoordig op internet en bij YouTube snel rechtgetrokken. Hoch auf dem gelben Wagen en Nun bricht aus allen Zweigen zijn ouwe Duitse krakers. De populaire radio-schlager Een frisse ochtendwandeling van Eddy Christiani (1955) blijkt via The Happy Wanderer (1954) terug te voeren tot Mein Vater war ein Wandersmann (und mir steckt’s auch im Blut). Door de bossen door de heiden, door het zomerdronken land, ontstond rond 1900 als Auf der Lüneburger Heide, een ruw studentenlied (van het soort: op de hei daar lag een dragonder) dat al snel werd gekuist en in Nederland zo rijk met stichtende beelden is behangen dat de oorspronkelijke pret voorgoed verloren ging. Het is allemaal zorgvuldig in kaart gebracht door het Duitse Volksliederarchiv en krijgt aanvulling van vele (Duitse) Wikipedia-lemma’s. Bejaarde Hollanders met een goed geheugen kunnen achter de computer naar hartelust alsnog hun jeugd verpesten. Jongere Hollanders niet, want de liedjes werden na de jaren zestig niet meer gezongen.

Interessant: de ‘Wandersmann’ en de openbarstende ‘Zweigen’ waren er al rond 1850, de Zweigen kunnen desgewenst ook op een melodie van Beethoven worden gezongen. De ‘gelbe Wagen’ is van 1870, het kreeg zijn melodie pas in 1922 van Heinz Höhne, later nog Kreiskulturamtsleiter bij de NSDAP.

Vrolijke vrouwtjes en nog zo wat

Er blijkt geen noemenswaardig verschil tussen wandelliedjes en marsliederen. Het gaat er altijd over natuur, gezondheid, drank, vrolijke vrouwtjes en nog zo wat en het uniforme ritme is aangepast aan het gemiddelde marstempo: 116 à 120 stappen per minuut. Het is verbluffend hoe vaak dat getal terugkomt, zowel bij marsmuziek zonder wandelaars, als bij wandelaars zonder marsmuziek. Heel veel legeronderdelen marcheren in een tempo van 116 à 120 stappen per minuut, althans zolang er niet te veel bepakking is. Is er helemaal geen bepakking dan kan het hoger uitkomen, tot wel 130 à 140. Zware wapens, trommels en doedelzakken kunnen het tempo drukken. Amerikaanse mariniers houden het vaak op 110, de Schotse Black Watch komt niet boven de 95. Het is allemaal op YouTube te bekijken. Vreemde uitschieters zijn het Franse vreemdelingenlegioen dat heel langzaam marcheert (85 passen per minuut) en een Spaans legioen dat het juist extreem snel doet: 160. Beide tempo’s maken een vreemde indruk, maar dat is natuurlijk de bedoeling want het meeste gemarcheer is maar show. De knappe Chinese vrouwelijke soldaten zouden met hun korte benen en lichte laarsjes best wat sneller kunnen marcheren dan ze nu vaak op parades doen: 112 à 116. ’t Zal wel niet mogen.

De vakliteratuur weet te melden dat de Franse soldaten in Napoleontische tijd een marstempo van 120 hadden. De Romeinen, die het marcheren bedacht hebben, zouden 100 hebben aangehouden. Voor de laatste waarde wordt vaak De re militari van Vegetius geciteerd. Dat werk heeft als zwakte dat het een tijdseenheid hanteert die niet goed is gedefinieerd: het uur is er het twaalfde deel van de daglichtperiode. Maar die periode wisselt en heeft een onduidelijke begrenzing. Met een blik op YouTube zou je zeggen: 100 zou kunnen.