Portret van Marokkaans-Nederlands gezin: hoe de islam steeds belangrijker wordt

Marokkaans en Nederlands In 1966 begon het verhaal van Sadik El Yaacoubi in Nederland. Hij kreeg kinderen en kleinkinderen. Familieportret van drie generaties.

Welke taal ga je dan spreken, vraagt de vader van Habiba El Yaacoubi. Ze heeft verteld dat ze haar man achterna gaat reizen naar Nederland. In zijn vraag klinkt wanhoop en ook afkeuring. Het antwoord, welk antwoord dan ook, zou daar niets meer aan veranderen. „Tmazight”, zei Habiba, „als ik met mijn man en kinderen praat. Maar als ik de nieuwe taal heb geleerd, zal ik ook Nederlands spreken.” Haar vader vindt het pijnlijk dat zij zijn kleinkinderen in een vreemd land zal opvoeden. Toch geeft hij Habiba waar zij naar verlangde: zijn zegen.

Dit gesprek vond precies veertig jaar geleden plaats in een klein dorp in het Rifgebergte in het noorden van Marokko. In 1979 kwamen Habiba (nu 63) en haar twee jonge kinderen terecht in Utrecht. De woning in de wijk Hoograven had haar man Sadik (nu 73) kort voor de gezinshereniging geregeld. Sadik El Yaacoubi was al in 1966 naar Nederland gekomen, hij was toen 21.

Nu zitten ze samen op hun bank in een nieuwbouwwijk bij Vleuten. Hoewel ze niet goed begrijpen waar onze interesse opeens vandaan komt, wil het echtpaar best vertellen hoe hun komst naar Nederland hun leven heeft veranderd. Ze spreken voldoende Nederlands voor een eenvoudig gesprek. Berbers of Arabisch vinden ze makkelijker.

Met dit gezin beginnen we een serie artikelen over Nederlandse moslims. De Marokkaanse en Turkse gastarbeiders en hun kinderen en kleinkinderen vormen het hart van de islam in Nederland. Volgende maand is het een halve eeuw geleden dat Nederland en Marokko een ‘wervingsverdrag’ ondertekenden, waarmee de Marokkaanse arbeidsmigratie werd geregeld.

Voor Nederlandse collega’s was 5 uur 5 uur

Meneer El Yaacoubi, de pater familias van dit archetypische gastarbeidersgezin, gaat er eens goed voor zitten. De woonkamer is licht en leeg.

Sadik is de oudste in een boerengezin met vier broers en twee zussen. Hij kan zich niets anders herinneren dan hard werken op het land. Olijven plukken. Graan oogsten. En altijd het vee. Met tweehonderd geiten en schapen, vijftig kippen, een handvol koeien, twee paarden en een ezel was het altijd druk. „Ik greep een geit vast”, vertelt Sadik, „mijn moeder molk haar. Loslaten en de volgende. Ik was twaalf.”

Als zijn oom naar Frankrijk vertrekt, twijfelt Sadik niet. Het is moeilijk om je ouders en je geboorteland achter te laten, zegt hij. „Maar in het dorp was geen werk voor de jongeren en in Europa was geld te verdienen.” Hij reist zijn oom achterna. Later gaan ze samen naar Nederland.

Hij krijgt een contract bij een melkfabriek in Zeist. „Ik sprak een man aan op straat. Kom mee, zei die en hij bracht me achterop zijn brommer naar de chef van de melkfabriek. Zo makkelijk ging dat vroeger.”

Na wat omzwervingen vindt hij vast werk bij bandenfabriek Hubo waar hij 25 jaar werkt. Hij maakt soms dagen van wel zestien uur. Veel overwerk, ook op zaterdagen. „Dan riep de baas: ‘Yaacoubi, overwerken?’ „Ik zei altijd ja. Voor Nederlandse collega’s was 5 uur 5 uur. Die wilden met hun kinderen naar het voetbal of een pretpark in het weekend.”

Hayat El Yaacoubi haalt haar dochter Selina van school in Vleuten.Kees van de Veen

Niet in djellaba naar buiten

De islam is in de jaren zestig en zeventig nauwelijks zichtbaar. Ja, de gastarbeiders zijn moslim. Maar het zijn ook jonge mannen die terechtkomen in het Nederland van na de wederopbouw, met Beatles en flower power.

De vanzelfsprekende godsdienst van thuis, belangrijk deel van de identiteit, verdwijnt naar de achtergrond in een land dat er geen aandacht voor heeft. Als islamitische gastarbeiders al praktiseren, dan alleen thuis waar niemand het ziet. „We durfden in die tijd niet met djellaba naar buiten”, herinnert Sadik zich. „Dat was alleen voor thuis. Je zag Marokkaanse mannen in pak naar de fabriek gaan, hun boterhammen in een mooie tas, alsof ze een ambtenarenbaantje hadden.”

Pas jaren later, zegt Sadik, hadden ze de moed om aan hun baas een kamertje te vragen om te bidden. Het mocht, als de lopende band maar niet stopte.

Habiba: „Ik droeg een hoofddoek, maar veel vrouwen deden dat niet. Lange donkere kleding en zwarte hoofddoeken zag je toen niet.”

Eén keer, ze is nog maar kort in Nederland, wandelt ze zonder hoofddoek buiten. Sadik vindt dat goed. Haar donkere haren vallen tot over haar billen. Ze gaat met haar man op bezoek in het ziekenhuis. Een Nederlander die achter hen loopt, zegt dat ze mooi haar heeft. Ze giechelt: „Daarna droeg ik altijd een hoofddoek.”

De eerste maanden in Nederland huilt Habiba veel. Alleen onder werktijd, haar man mag niet weten dat ze zo’n heimwee heeft. Ze wilde toch zelf komen? Het wordt draaglijker als ze na een half jaar op taalles gaat. „Er zaten daar twaalf Marokkaanse vrouwen. De juf probeerde ons Nederlandse woorden te leren. Als ze zich omdraaide naar het bord, gingen we in het Marokkaans kletsen. Ze werd boos maar wij waren zo gelukkig dat we elkaar hadden gevonden.”

Sadik en Habiba El Yacoubi wilden niet op de foto. Foto Kees van de Veen

Ze werkt hard, dan denkt ze minder aan haar familie en haar dorp, zegt ze. Ze wil graag een goede echtgenote en moeder zijn. Brood bakken, koken, wassen. „Luiers moest je met de hand wassen, er waren geen pampers.” Er komen nog vijf kinderen.

Ze krijgt hulp van de katholieke zuster mevrouw Von Tricht, die ze leert kennen in het ziekenhuis bij de bevalling van de tweeling. „Jullie hebben hier geen familie, je vrouw kan geen Nederlands, wat vinden jullie ervan als ik oma van de kinderen word”, zegt ze tegen Sadik. „Graag!”, zegt hij.

Met de komst van de kinderen, wordt het geloof belangrijker. Want wat geef je door aan je kinderen in een niet-islamitisch land? En vooral: hoe?

Een wekelijkse Koranles blijkt voor veel gastarbeiders de oplossing. Terwijl Nederlandse kinderen naar de speeltuin gaan, gaan de Marokkaanse naar de moskee. Overal duiken geïmproviseerde moskeetjes op in winkels en buurthuizen.

Hayat, de dochter die haar ouders tot deze openhartigheid heeft aangezet, zit ook bij het gesprek. Ze is nu 34, heeft haar eigen gezin en woont niet ver van haar ouders in Vleuten. Hayat vond Koranles verschrikkelijk. Arabische zinnen die ze niet begrijpt uit je hoofd leren. Ze is als kind vrij zwaar en vindt het ongemakkelijk op de grond te zitten. Als ze in groep 4 blijft zitten, zegt ze: „Dat komt door Koranles.” Het werkt, ze mag stoppen. „Later, toen ik groep zeven mocht overslaan, riep ik nog triomfantelijk naar mijn ouders: zie je nou wel!”

„Vader leerde ons thuis bidden”, zegt Hayat. Dat vergt enige discipline en dat ging niet altijd goed, herinnert ze zich. „Dat hield je een tijdje vol en dan stopte je weer.” Ramadan vonden we allemaal leuk, zegt Hayat. „Vader deed dan extra lief en het was gezellig.” Ze vindt het nu nog de leukste tijd van het jaar. „Het is fijn om te doen. Je leeft bewuster, bent even uit de dagelijkse sleur. Mooie maand van bezinning.”

Als Mohamed in zijn djellaba de kinderen naar school brengt, zegt Hayat: “Doe maar niet.”Kees van de Veen

‘Ik zat op de bank, at en keek tv’

Hayat speelt als kleuter met vriendinnetjes op straat in de Utrechtse wijk Hoograven. Op haar zesde verhuist ze naar de wijk Kanaleneiland. Een groter huis – van drie naar vijf slaapkamers. Dat wel. Maar minder plezier. Ligt het aan de buurt? Ligt het aan haarzelf? Ze is haar vriendinnen kwijt, ze kan niet zomaar meer bij de buren binnenlopen. „Ik kwam niet meer buiten. Ik zat op de bank, at en keek tv.” Dat loopt in haar puberteit uit de hand, ze weegt op een gegeven moment 160 kilo.

Natuurlijk maken haar ouders zich zorgen. Terugkijkend was het goed geweest om haar te laten sporten. Zwemles. Dansen. Voetbal desnoods. Het komt niet bij hen op. Trouwens, er is geen geld voor. Schulden zijn er niet. Eerst worden de rekeningen betaald. „Mijn vader kocht nog geen frietje voor ons. Voor zichzelf ook niet. Thuis eten was goedkoper.” Dan is er huishoudgeld. En dan is het op. „We kregen geen zakgeld. We liepen een krantenwijk.”

Hayat is als kind het lievelingetje van haar ouders. Ze is braaf. „Ik haalde geen kattenkwaad uit, was niet geïnteresseerd in jongens en was altijd thuis om op het huis te passen.” Dat komt enkele zussen goed uit. „Zodra mijn ouders weggingen, op familiebezoek of zo, gingen zij stiekem uit en stond ik op de uitkijk. Ik zat daar maar bij het raam. Ik was doodongerust dat ze te laat terug zouden komen. Dan ging ik weer eten. Op de klok kijken. Weer eten.”

Streng zijn haar ouders, maar ook betrokken. Vooral haar vader. „We moesten ons best doen op school. Hij had regelmatig contact met de meester of juf.” Hij gaat zelfs mee op schoolreisjes, en daarin, zegt Hayat, was hij echt de uitzondering. „Dan liep hij met de klas door het Archeon. We schaamden ons dood.”

Nee, persoonlijk heb ik me nooit gediscrimineerd gevoeld

Hayat woont met echtgenoot Mohamed Aarab en kinderen Ayoub en Selina (10 en 8) in wat nu de grootste wijk is van Utrecht: Vleuten-De Meern (Leidsche Rijn). In de vinexwijk verdubbelde de afgelopen tien jaar het aantal bewoners. Strakke, witte huizenblokken, uítstekende grijze raampartijen, notenhouten voordeuren. Het is schoon en nieuw. De meeste buren zijn witte Nederlanders. Ze wonen er sinds 2012.

Een hoofddoek draagt Hayat niet. Nog niet. Het kan altijd veranderen. De samenstelling van de wijk is een van de redenen. „Ik denk dat ik constant word nagekeken. Ik kan dat niet aan. Er zou alleen maar ruzie van komen.” Voor haar eerste baan als onderwijsassistente vroegen ze bij de sollicitatie of ze een hoofddoek zou gaan dragen. Zo ja, dan was ze niet geschikt voor de functie. Op een andere werkplek kreeg ze per ongeluk een mailtje onder ogen waarin stond dat ze eigenlijk iemand zochten met een ‘Hollands uiterlijk’. Dat, zegt ze, is uitgepraat.

Haar buren zeggen het gewoon eerlijk. Dat ze hun kinderen liever niet met een Marokkaan thuis zien komen. Althans, dat zeggen ze als ze hebben gedronken, tijdens de buurt-barbecue.

Als Mohamed in zijn djellaba de kinderen van school gaat halen, weet ze dat hij wordt uitgelachen. „Ik zeg: ‘Doe maar niet.’ Hem interesseert het niet wat anderen denken.” Hij leest hardop uit de Koran, ’s zomers met de ramen open. Hayat: „Ik ben me bewust van de buren, zij vinden dat niet leuk. Hij ziet dat totaal niet.” Ze stelt zich soms voor als mevrouw Yaacoubi. Zonder El. Dat klinkt als Jacobi. Heeft ze wel eens te maken met discriminatie? „Nee, persoonlijk heb ik me nooit gediscrimineerd gevoeld.”

Ze wíl dat ook niet. Soms doen zich wrijvingen voor. Laatst was ze met haar groepje aan het bootcampen. „Een van hen is homo. Ik zei: ‘Ik heb wat tegen dat woord. Als ik je zo noem, voelt het alsof ik je uitscheld.’ Zijn reactie? ‘Datzelfde heb ik nou met Marokkaan’.”

Met haar man Mohamed Aarab is iets geks gebeurd. Het is ruim drie jaar geleden en de boosheid is gezakt, al klinkt Hayat nog steeds ontstemd als ze erover praat. Hij is verpleger en helpt in 2015 een week als vrijwilliger mee op Lesbos, waar veel vluchtelingen aankomen. Hij is het die de Syrische Khalid (toen 11) uit een rubberboot tilt. Khalid is gevlucht met zijn vader. En hij is doodziek. Mohamed geeft zijn telefoonnummer aan de vader van Khalid, voor het geval hij in Nederland zou belanden.

Een paar weken later, Mohamed is aan het werk, belt de vader van Khalid. Hij is in Venlo en met Khalid gaat het slecht. Mohamed draagt zijn cliënten over aan een collega, stapt in zijn verplegerskleding in de auto en rijdt naar Venlo. Hij zal vader en zoon naar aanmeldcentrum Ter Apel brengen. Khalid is te ziek voor de trein. Dan kan Khalid zo snel mogelijk de juiste zorg krijgen.

Het loopt anders: in Venlo wordt Mohamed opgepakt door de marechaussee. Ze denken dat hij een mensensmokkelaar is, hij zit een nacht in de cel.

„Een mensensmokkelaar in een verplegersuniform in een auto met thuiszorglogo”, zegt Hayat.

De officier van justitie spreekt nog even telefonisch met Mohamed als die vastzit. „Heb je nog vragen?”

„Ik zei, nee”, zegt Mohamed.

„Zó Marokkaans”, zegt Hayat. „Dat onderdanige. Ik ben er te Nederlands voor. Het maakt me woest. Je zat daar onterecht. Je had kunnen zeggen. Haal me hier weg, ik ben onschuldig.”

„Dat had niets uitgemaakt”, zegt Mohamed.

De volgende dag wordt de fout ingezien, niet in de laatste plaats door een briesende Hayat, die bezig is de media in te lichten. Ze vraagt: „Was een witte man in een verplegersuniform ook een nacht vastgezet omdat hij een Syrisch jongetje en zijn vader een lift wilde geven?”

Mohamed tijdens het gebed in de woonkamer.Foto Kees van de Veen

Witte school

Op zijn zesde gaat Hayats zoon Ayoub opgetogen naar een witte protestants-christelijke school in Vleuten. Hayat besluit een actieve moeder te zijn, zodat haar nooit het verwijt zal treffen van die Marokkaanse moeder die nooit op school komt. Ze zit in de ouderraad, is klassenmoeder, zit in de Sinterklaas- en Kerst-commissie. „Ik kan me niet herinneren ooit zo mijn best te hebben gedaan.” Ayoub komt thuis en zegt: „Joep mag niet meer met me spelen. Maar hij doet het stiekem toch.”

En later: „Op school zeggen ze: we willen minder, minder, minder Marokkanen.”

Nog weer later: „Ik ben een rotkind, want ik ben een Marokkaan.”

Hayat: „De andere ouders deden neerbuigend. Met Suikerfeest mocht Ayoub koekjes meenemen. De kinderen gooiden dat weg. Zo van ‘Ieuw! Toen een ander kind worst trakteerde, gooide Ayoub dat weg. Hij mag dat als moslim niet. Dat had hij niet moeten doen natuurlijk. Een van de andere ouders was hier heel boos over.” Maar als ik een traktatie maak, hou ik met iedereen rekening: geen noten, geen gluten, geen suiker. Ze hadden toch best een beetje rekening met hem kunnen houden?”

Ayoub wordt steeds bozer. De moeder van Noëlle wil niet dat haar dochter met hem om gaat, hij is te druk. Ze wil dat hij mee doet met het dagelijkse gebed, anders mag hij ook niet op school Sinterklaas en Kerst vieren. Ze stookt andere ouders op. Voor Hayat is de maat vol. Ze belt de moeder van Noëlle en vraagt hoe ze dat voor zich ziet, de kinderen zitten bij elkaar in de klas. Maar het is te laat: Ayoub heeft een stempel: Marokkaans Probleemkind. Hij raakt dat niet meer kwijt.

Doe je kind alsjeblieft niet op een witte school, zegt Hayat nu tegen vriendinnen. „Gemengd kan. Wit niet.”

Uiteindelijk zit Ayoub drie maanden thuis. Hayat zit tegen een burn-out aan. Ze twijfelt aan alles.

Ayoub gaat naar een nieuwe school. Zes maanden op proef. Lukt het niet, dan moet hij naar het speciaal onderwijs. Het eerste wat hij zegt als hij thuiskomt: „Mam, ik ben daar niet de enige Marokkaan.” Hij blijkt heel goed te kunnen leren. Na een paar weken, zegt de juf: „Proeftijd voorbij hoor. Ayoub is een prima joch. Hij is niet anders dan anderen.”

Hij is niet anders dan anderen.

Het was die zin die alles goedmaakte.

Hayat Aarab maakt pannenkoeken als lunch.Kees van de Veen

Vrouwenzwemuurtje

Habiba heeft ook het gevoel dat ze anders is. Niemand die dat hardop zegt, maar ze voelt het als ze de wachtkamer in het ziekenhuis binnenloopt, „goeiemorgen!” zegt en geen antwoord krijgt. Of als ze zich in badpak tijdens het vrouwenuurtje in het zwembad laat zakken. De dames die aan de rand van het zwembad hangen, hoort ze fluisteren als ze in trage schoolslag wegzwemt. Jongeren steken een middelvinger op als ze naar de markt gaat. „Waarom? We hebben een ander geloof, maar we zijn broers en zusters.”

Sadik onderbreekt haar: „Onze kinderen hebben het verpest.” Hij bedoelt de tweede generatie. „Ze zijn opgevoed als Nederlanders. Ze zijn als jullie. We moeten streng zijn, krijgen we te horen. Hoe dan? Een jongen steelt een fiets. Wat doe je? Je geeft een paar flinke meppen. Doet hij het nooit meer. Maar zo gaat dat niet. De politie brengt het kind thuis en zegt: hij heeft gestolen. Maar je mag hem niet aanraken! En zij doen ook niets.” Kinderen maken daar gebruik van, zegt Sadik. Hij verheft zijn stem. Zijn eigen kinderen zijn goed terecht gekomen. Maar zijn eigen dochters hebben wel eens gezegd: ‘Als je ons slaat, bellen we de politie.’

Hayat begrijpt haar ouders te goed om zich hard tegen hen af te zetten

De tweede generatie manoeuvreert tussen verwachtingen, hoop en regels van ouders en het Nederland van buiten de deur. Over het effect van elke beslissing moet worden nagedacht, dat is onontkoombaar. De een voegt zich zoveel mogelijk naar de traditie en gebruiken van de ouders, de ander neemt zoveel mogelijk afstand van cultuur en geloof.

Velen, zoals Hayat, kiezen een tussenweg. Hayat snapt beide kanten. Ze begrijpt haar broer die met een Nederlandse is getrouwd. Zijn vrouw, haar schoonzusje, heeft niet zoveel met het geloof en viert het verjaardagsfeestje van hun dochter in de Ramadan. Want hoe leg je aan een klein kind uit dat zij een maand moet wachten?

Ze snapt haar oudste zus die 17 was toen ze het huis uit trouwde en na 21 jaar de moed had om te scheiden. Ze snapt haar tweelingzusjes die bij hun ouders missen wat ze in hun Nederlandse vriendenkring zien. Ouders die hun kinderen steunen en adviseren in hun zoektocht naar een opleiding, een woning, een inspirerend leven.

Ze begrijpt ook haar ouders te goed om zich hard tegen hen af te zetten. Het zou de relatie onder druk zetten, dat wil ze niet. Ze vindt het ook niet eerlijk. Ze weet waar ze vandaan komen. Ze kent hun worsteling om in een onbekend land zeven kinderen groot te brengen. Ze kunnen niet accepteren dat hun kinderen anders aankijken tegen het geloof en de tradities die voor hen altijd zo’n steun zijn.

Kinderen, vinden de ouders, zijn er om hén te helpen. Vooral de meisjes. Hayat doet veel. Maar er zijn ook grenzen aan de hulp van een dochter. Ze is geen loopjongen. Om bij elke Nederlandse brief te bellen en te verwachten dat ze meteen langskomt om te vertalen, vindt Hayat te veel. Ze kocht een bakje en vroeg hen daar de post in te doen. Ze beloofde een paar keer per week alles te bekijken. „Dan ga ik wel naar het U-punt [buurtsteunpunt]”, riep haar moeder boos. Hayat lacht. „Ik dacht: potverdrie, je hebt er zeven. Waarom ben ik altijd de sjaak.”

In Marokko zorgen de schoondochters voor de ouders van hun man. Het pasgetrouwde stel trekt daar in of woont in de buurt. In Nederland wordt de zorg van de dochters verwacht. Het is een worsteling voor Marokkaans-Nederlandse vrouwen met een eigen gezin en een baan. Hayat hoort dat ook van vriendinnen.

Wat vindt Habiba van haar kinderen? „Ik ben trots op allemaal”, zegt ze. „Op de ene wat meer dan de ander. Ik ben vooral trots op de kinderen die me helpen. Hayat helpt me heel vaak. Mijn oudste dochter ook, maar die heeft soms geen tijd.”

En de jongens?

„Youssef is mijn hart.”

Hayat: „Ik dacht dat ik je lieveling was?”

Habiba: „Jij doet meer dan Youssef, maar hij is een goede jongen.”

De partner van haar oudste zoon is geen moslim. Habiba: „Ik vind dat niet leuk.” Ze wil graag dat haar kinderen een islamitische partner kiezen. „Toen ik haar tot de islam uitnodigde, zei ze nee. Wie zich tot de islam wil bekeren, is van harte welkom. Voor wie dat niet doet, ligt het oordeel bij God.”

Het doet Habiba pijn dat haar oudste zoon niet is getrouwd met de moeder van zijn kinderen. „Je moet wel trouwen, jongen”, heeft ze hem gezegd. Mam, je moet mij zelf laten beslissen, was het antwoord. Habiba: „Ik zei toch niets slechts?”

Toen de moeder van Habiba ziek werd, was zij weken, soms maanden in Marokko om haar te verplegen. „Wie zijn moeder niet goed behandelt, wordt niet vergeven”, zegt Habiba. Enkele van haar kinderen hebben de Nederlandse mentaliteit, legt ze uit. Dat betekent dat ze minder zorgzaam zijn voor de ouders. Met een snik. „Ik kan die kinderen toch niet dwingen om me te helpen?”

Mohamed geeft de kinderen Arabische les.Kees van de Veen

Een man uit duizenden

Mohamed, Hayats man, begrijpt haar. Hij groeide op in een dorp nabij Taza in de Rif, hetzelfde dorp als Habiba. Mohamed is de middelste van elf kinderen. Vijf jaar lang kon hij naar school in het dorp – verder leren in de stad durfde zijn vader niet aan, ondanks aandringen van de hoofdonderwijzer. „Mijn oudere broer had die kans gekregen maar had school laten versloffen en was gaan drinken. Ik heb een jaar lang elke dag een rondje om de school gelopen, zo miste ik het leren.”

Mohamed leert op eigen houtje. Koran in de moskee, en ’s avonds leest hij boeken terwijl zijn broers buiten roken en kletsen met de andere jongeren in het dorp. Hayat: „Daarin lijken we dus op elkaar.” Mohamed: „Als je klaar bent met je werk, waarom zou je dan op pad gaan als je knus thuis kan zitten?”

Met Mohamed trouwen was een idee van Hayats ouders. Hayat: „Ik ben niet uitgehuwelijkt of zo, het was een advies. Het is een goeie jongen, zeiden ze. Ouders willen het beste voor hun kind. Importhuwelijken, ik ben er helemaal voor. Ik heb een aantal vriendinnen die hun partner uit Marokko haalden. Ze zijn allemaal nog gelukkig getrouwd. Die mannen werken gewoon harder.” Mohamed is een man uit duizenden, zeggen haar vriendinnen.

Veel Marokkaans-Nederlandse vrouwen zijn kieskeurig, zegt Hayat. „Die willen absoluut geen man uit Marokko. En hij moet ook hoger opgeleid zijn dan zijzelf. Ja, denk ik dan. Je bent wel veertig en nog steeds alleen.”

Ik wil een goede moslim zijn. Ik streef naar perfectie

Mohamed wist niets van Nederland. Hij kende alleen de Marokkaans-Nederlandse jongens die in de zomer kwamen showen met hun auto’s. „Mensen uit het dorp dachten dat ik ook zo zou worden. Dat is niet gebeurd.”

Hij is 25 als hij in 2005 op de boot stapt voor een zeereis van 43 uur. De eerste maanden in Nederland zijn pittig. „Ik verstond niks. Het werk was zwaar; ik laadde vrachtwagens in en uit. Op de fiets naar huis, douchen en naar school.” Na de inburgering ging Mohamed door voor het staatsexamen. Hij ging werken in de schoonmaak. „Ik hoorde alleen Arabisch en Berbers. Die talen kende ik al, ik kon niets leren.” Hij ging naar het ROC voor de opleiding ‘Verzorgende IG’.

Natuurlijk is niet iedereen blij als de verpleger die voor de deur staat een Marokkaan is, zegt Mohamed. Hij verzorgde de wond op het been van een vrouw. Ze was nors en stil. „In de laatste week, de wond was bijna genezen, vroeg ze opeens of ik een kop koffie wilde. ‘Sorry jongen, zei ze. Eerst dacht ik: wat moet die hier. Maar je doet je werk goed’.”

Je kan prima moslim zijn in Nederland, vindt Mohamed. „Er zijn zoveel moskeeën. Ik stop gewoon even op weg naar een volgende cliënt om te bidden. Soms ben ik bij islamitische patiënten en dan kan het daar. Je moet het een beetje zelf regelen. En je niets aantrekken van anderen. Tijdens de ramadan moet je ertegen kunnen dat iedereen om je heen wel eet.”

Zijn schoonvader is het met hem eens. Sterker, hij wil benadrukken hoe goed „wij moslims het hier hebben”. Sadik: „Ze hebben ons goed behandeld, de Nederlanders. Het is hier zelfs beter dan in Marokko. We kunnen hier overal naar een moskee, je kunt er parkeren. In Marokko ga je voor het middaggebed en daarna moet je meteen de moskee weer uit en gaat-ie op slot. Hier ga ik voor het middaggebed en blijf ik kletsen tot het namiddaggebed.”

Niet elke Nederlandse moslim heeft de juiste islamitische basis, constateert Mohamed. „Ik was in Marokko veel in de moskee, ik sprak met de imam. Ik leerde.” Hier ziet hij Marokkaans-Nederlandse jochies die weinig meekrijgen, op een gegeven moment gaan googlen en dan beginnen met een baardje en vrouwen geen hand geven. „Ze bouwen een huis en beginnen met het dak. Als er geen fundering ligt, is het huis zwak.”

Een stagiair die met Mohamed zou meelopen, wilde vrouwen geen hand geven. Mohamed: „Ik zei, dan kan je niet met mij mee. Je geeft vrouwen geen hand maar moet wel insuline prikken of een vrouw helpen douchen? Je bent niet geschikt voor het werk.”

Mohamed en Haya bekijken oude foto’s.Kees van de Veen

De islam van de angst

„Ik vind jou een nijlpaard”, zegt Ayoub tegen zijn moeder. Zij, en haar kinderen Ayoub en Selina doen een spel: ze zoeken naar dieren die ze het meest bij elkaar vinden passen. „Ayoub, dat vind ik nou niet zo leuk!”, zegt Hayat. Maar het is de bedachtzame Mohamed die bijna ontploft. „Zoiets zeg je niet tegen je moeder!”, roept hij. Ayoub kijkt verbaasd. Hayat ook. „Ik ben te veel vernederlandst om daar over te vallen”, zegt ze.

Ayoub, hij is nu tien jaar, vindt zichzelf gewoon Ayoub. Hij voelt zich Nederlander én Marokkaan. Marokkaans voelt hij zich omdat hij al een stukje van de Koran uit zijn hoofd kent. „Ik ben tot de vierentwintigste soera gekomen.” Met een heldere stem reciteert hij een stukje. Hayat luistert trots: „Mij heeft hij allang ingehaald.”

Nederlander voelt hij zich ook. „Stamppot jeeeej! Ik ben geboren in dit land, dus ben ik best wel Nederlands.”

Als hij de islam moet uitleggen zegt hij: Ik geloof dat er één god is en profeet Mohamed is zijn boodschapper. Ayoub: „Alle dingen die je moet doen, staan in de Koran.” Hij deed al mee met de ramadan, afgelopen zomer. Eén dag. Dat was net op een bloedhete zaterdag. Zijn moeder zei nog, drink dan in elk geval iets. Ayoub: „Ik was al begonnen. Ik wilde niet verbreken.” Tegen zijn moeder. „Dat had wel gemogen toch?” Parmantig: „Ik wil een goede moslim zijn. Ik streef naar perfectie.”

Ayoub wil comedian, acteur en rapper worden.

Hayat: „Geen professor meer?”

Over de opvoeding van de kinderen zijn Hayat en Mohamed het eens. Mohamed: „Ik wil dat ze eerlijk zijn, anderen geen pijn doen en iedereen respecteren ongeacht welk geloof ze hebben.” Ze hebben de taken verdeeld. Hayat helpt met schoolwerk, Mohamed zorgt voor de religieuze opvoeding. Elke avond leest hij voor uit de Koran. Hij neemt Ayoub en Selina mee naar de moskee. „Ik leer ze de islam van de liefde.”

Stamppot jeeeej! Ik ben geboren in dit land, dus ben ik best wel Nederlands

Hayat: „Wij leerden vooral de islam van angst. Dit mag niet, dat mag niet.”

Mohamed: „Ik probeer het Koranvers te vertalen naar wat de bedoeling is.”

Ayoub neemt het geloof nog erg letterlijk. Zijn zusje kwam thuis met liedjes, over Pasen en Kerst. Dat mag je niet zingen, zei hij. Haram. En tegen zijn vader die twee oudere dames ondersteunde bij een wandeling. Dat mag toch niet? Hayat: „Van wie hij dat heeft? Niet van mij. En niet van Mohamed. We corrigeren hem dan.”

Stel dat Ayoub later met een niet-islamitisch meisje thuis zou komen. Hayat aarzelt even. „Wij geven bagage mee. Het is aan hen wat ze eruit halen. Hoe zij het geloof praktiseren, is aan hen. Het moet in je hart zitten, je kunt dat niet afdwingen.”

En als Ayoub homo zou zijn? Hayat: „Ik zal altijd van mijn kind houden. Ik zou het niet kunnen accepteren. Het is gewoon heel lastig voor een moslim om te zeggen: Prima hoor, wat jij voelt. Maar we zullen ook niet zeggen: We willen je niet meer zien. Sta jij daar ook zo in Mohamed?” Mohamed knikt.

Wij waren heel anders, zegt Sadik. Zijn ouders zochten een goed meisje voor hem. Zij was 16. Ze hoefden elkaar niet te leren kennen, ze komen allemaal uit hetzelfde dorp. „En elk meisje uit het dorp kan koken, bakken, schoonmaken. Ik vroeg haar hand. Binnen vijftien dagen komt een antwoord. Dat weet je. Het was ‘ja’. Tweehonderd mensen kwamen op het feest.”

„Nederlandse kinderen, ook mijn kinderen, gaan eindeloos wandelen, naar de bioscoop, samenwonen. En als ze dan gaan trouwen, gaat de helft weer scheiden.”

Jullie noemen het vrijheid, moppert hij verder. „Wat brengt die vrijheid? Nederlanders kunnen meer respect hebben voor de eerste generatie. We hebben als paarden gewerkt, zonder links of rechts te kijken. Mijn knieën doen pijn, mijn rug is versleten. En ik heb maar een heel klein pensioen. In de winter ga ik naar mijn dorp. Daar is de lucht fris, en kan ik wandelen met de buurman.”
Naschrift (29 april 2019): In overleg met betrokkenen zijn enkele namen uit dit artikel geschrapt.