Een zandstorm trekt over kamp Castor. De Nederlandse militairen in Mali hebben te maken met zandstormen, ze steken plotseling op en zijn ook vrij snel weer weg. Na de storm zit alles maar dan alles ook volledig onder het zand.

Evert-Jan Daniels/ANP

Wat heeft vijf jaar patrouilleren in de Sahel opgeleverd?

VN-missie in Mali Volgende week eindigt de Nederlandse bijdrage aan de VN-missie in het West-Afrikaanse land Mali, die vijf jaar heeft geduurd. Wat leverde die op?

Een Malinees dorp aan de rivier de Niger stond formeel onder bescherming van het regeringsleger, maar dat had in de zomer van 2015 zijn handen vol aan de strijd tegen terroristen. Een Nederlandse inlichtingeneenheid besloot er een kijkje te nemen. „We maakten een praatje met de burgemeester”, vertelt toenmalig commandant Jord, die niet met zijn achternaam in de krant wil. „Wat bleek? Lokale kooplui werden vaak overvallen door criminelen.”

Jord beschreef dit probleem in een gedetailleerd rapport aan het hoofdkwartier van de missie van de Verenigde Naties (VN) in de Malinese hoofdstad Bamako – met een dringend advies om in te grijpen. Kort daarop verplaatste een VN-eenheid zijn basiskamp naar een plek dichterbij dat dorp. „Het aantal overvallen nam af, vertelde de burgemeester”, aldus Jord. „Dat is een succes.”

Veel media schetsen het beeld dat de Nederlandse bijdrage aan de VN-missie in Mali nauwelijks iets heeft opgeleverd. Mali is onveiliger geworden en Nederland zou na vijf jaar niets achterlaten dat de situatie in het land op een positieve manier heeft veranderd. In twee boeken schetsen teleurgestelde militairen eveneens een somber beeld.

Maar praat met militairen over de missie en je hoort overwegend enthousiaste verhalen. Over het beschermen van vrouwen tegen verkrachting, het verstoren van troepenopbouw bij terroristische groepen. „We hebben eraan bijgedragen dat het terrorisme in Mali op de korte termijn is gestopt en dat het land niet verder afglijdt”, zegt voormalig Commandant der Strijdkrachten Tom Middendorp.

Ook terrorisme- en buitenlanddeskundigen zeggen dat Nederlandse militairen in Mali veel waardevols hebben gedaan. Desondanks is het land wel onveiliger geworden. „Elke keer dat ik er kom gaat het slechter”, zegt terrorisme-expert Liesbeth van de Heide van de Universiteit Leiden, die Mali sinds 2016 elke twee maanden bezocht: „Het aantal aanslagen neemt toe, het aantal doden door geweld ook.” In maart vielen zeker 130 doden bij een aanval van een lokale militie op een dorp van herders, de bloedigste aanslag in lange tijd.

Nederlandse commando’s van de Korps Commando Troepen (KCT) zijn op patrouille naar Ansongo. De commando’s maken deel uit van de inlichtingenketen die is opgezet door Nederlandse eenheden voor de VN-missie Minusma.Evert-Jan Daniels/ANP

Woensdag, 1 mei, is de Nederlandse bijdrage aan de VN-missie in Mali officieel ten einde, al zal het nog enkele maanden duren voor de laatste militairen zijn vertrokken. Vijf jaar geleden vertrokken de eerste Nederlanders naar het West-Afrikaanse land. Zo’n vierhonderd Nederlandse militairen waren voortdurend actief in Mali, elk ongeveer een half jaar.

De prijs was hoog. ‘Mali’ is de dodelijkste VN-missie ooit: 195 VN-militairen sneuvelden (in totaal zijn in het land momenteel dertienduizend VN-militairen actief). Ook aan Nederlandse zijde vielen slachtoffers, zij het niet in gevechtssituaties: in maart 2015 kwamen twee militairen om bij een helikopterongeluk en in juli 2016 vielen bij een mortierongeval twee doden. Dat laatste ongeluk had voorkomen kunnen en moeten worden, oordeelde de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Minister Hennis (VVD, Defensie) en Commandant der Strijdkrachten Tom Middendorp stapten op.

In juni 2018 stelde de Algemene Rekenkamer dat de hele krijgsmacht kraakte onder de „missiedruk”. Een dag voor publicatie lekte uit dat het kabinet-Rutte III die week zou besluiten de Nederlandse bijdrage aan Mali te beëindigen.

NRC besprak met Nederlandse militairen, politici en deskundigen wat de bijdrage aan deze missie heeft opgeleverd.

1. Verzoening met de VN

Het kantoortje van Bert Koenders, hoofd van de VN-missie in 2013 en 2014, lag in het VN-hoofdkwartier in Bamako naast dat van kolonel Joost de Wolf, tussen april 2014 en februari 2015 de een na hoogst verantwoordelijke voor de militaire operaties. „Koenders kwam vaak bij me binnenlopen voor informatie”, vertelt De Wolf. „En voor drop. Ik had een droppot op mijn kamer, gevuld door mijn hockey-maatjes uit Nederland.”

Het was de eerste keer in twintig jaar dat Nederland deelnam aan een missie van de VN. De laatste missie, in Bosnië, was geëindigd in het trauma van Srebrenica. Nederlandse militairen hadden machteloos toegezien hoe Serviërs duizenden moslims deporteerden – op weg naar een massamoord. Sindsdien waren VN-missies beladen en hield Nederland zich afzijdig. Ook andere westerse landen deden niet meer mee na ‘Srebrenica’ en ‘Rwanda’, waar in 1994 onder de ogen van de wereld een volkerenmoord plaats had.

In april 2013 besloot de VN tot een vredesmissie in Mali. In 2012 hadden Toeareg-rebellen de onafhankelijkheid van het noorden van Mali uitgeroepen. Die opstand was gekaapt door jihadistische groepen, die een IS-achtig bolwerk dreigden te vormen. Toen de jihadisten begin 2013 Bamako naderden, dreven Franse troepen hen in enkele weken ver terug. Voor stabilisering van het land was de hulp van de internationale gemeenschap nodig, oordeelde de VN, die Nederland polste voor deelname aan de vredesmissie ‘Multidimensial Integrated Stabilisation Mission in Mali (MINUSMA).

Nederland was het eerste westerse land dat ja zei. Dat was cruciaal, zegt Koen Davidse, drie jaar plaatsvervangend hoofd van de VN-missie in Mali. „Andere westerse landen zoals Zweden en Duitsland, durfden daardoor ook weer. Dat heeft de kwaliteit van de missie enorm vergroot.”

Evert-Jan Daniels/ANP

Nederland stemde niet meteen in; dat gebeurde pas in november 2013, bijna een half jaar na de VN-resolutie. Aanvankelijk was vooral regeringspartij VVD niet erg enthousiast. Han ten Broeke, indertijd VVD-Kamerlid en woordvoerder op het gebied van Buitenlandse Zaken en Defensie: „We hadden moeite met een VN-missie, dat klopt”, zegt hij. „Maar we hebben uiteindelijk die wissel omgezet en toch voor deelname gepleit. Mijn belangrijkste argument: om migratie te bestrijden moet je zijn op de plek waar die begint.”

De PvdA voelde er van begin af aan voor. Omdat Nederland al decennia veel ontwikkelingsgeld stuurt naar Mali en partijgenoot Lilianne Ploumen op dat moment minister van Ontwikkelingssamenwerking was. En omdat PvdA-coryfee Bert Koenders sinds mei 2013 aan het hoofd stond van de VN-missie in Mali.

Dat het kabinet ja zei, had ook te maken met de ambities van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Nederland had al besloten campagne te voeren voor een tijdelijke zetel in de VN-Veiligheidsraad. Deelnemen aan deze missie was een extra manier om steun te verwerven. „Die zetel is een belangrijk Nederlands belang, een manier om de diplomatieke aanwezigheid van Nederland in de wereld te maximaliseren”, zegt buitenland-analist Dick Zandee van Instituut Clingendael. Dat is legitiem, zegt hij, „maar het mag nooit de doorslag geven bij de vraag of we meedoen aan zo’n missie”.

In hoeverre dat wel is gebeurd, is moeilijk na te gaan. Oud-Kamerlid Michiel Servaes, destijds PvdA-woordvoerder, weigert ondanks herhaaldelijke verzoeken terug te blikken op het besluit over de missie. VVD-buitenlandwoordvoerder Han ten Broeke: „Natuurlijk heeft Nederland geen militairen gestuurd om de VN-zetel te krijgen. Het is eerder andersom: omdát Nederland zich altijd inzet, internationaal, en vaak ook boven zijn macht presteert, verdient Nederland een plekje aan de onderhandelingstafel.” Nederland zou de tijdelijke VN-zetel later inderdaad krijgen, al moest die worden gedeeld met Italië.

In de cruciale brief die het kabinet in november 2013 naar de Tweede Kamer stuurde over deelname aan de missie, stond niets over de VN-zetel. Die brief ging over de bestrijding van het internationale terrorisme, over het helpen uitvoeren van het vredesakkoord van Ouagadougou dat de regering van Mali met rebellengroepen had gesloten, over het indammen van migratiestromen. En over de voor Nederland belangrijke aanvoer van grondstoffen uit West-Afrika – het was voor het eerst dat economische belangen zo expliciet werden genoemd.

„Voor mij was de missie ook een kans om af te rekenen met de naweeën van Srebrenica”, vertelt Middendorp, die als hoogste militair advies gaf over wat militair haalbaar was in Mali. „Met die Srebrenica-ervaring hebben we ook allerlei eisen gesteld op militair vlak.”

Zo gingen Nederlandse militairen naar een betrekkelijk rustig gebied, rondom Gao in het oosten van het land, waar ze anders dan in Bosnië geen ‘gebiedsverantwoordelijkheid’ hadden – en dus ook niet de taak om de bevolking te beschermen. Om in Mali – anders dan toen – wel zelf een klap te kunnen uitdelen gingen er vier Apache-gevechtshelikopters mee, na druk vanuit de Tweede Kamer later aangevuld met drie Chinook transporthelikopters. En om een soepele terugtrekking mogelijk te maken, werd de Nederlandse bijdrage gesplitst in drie ‘modules’: inlichtingenanalisten, speciale eenheden en een helikoptereenheid.

De ‘modules’ hebben de terugtrekking inderdaad vergemakkelijkt; zo zijn de helikopters sinds 2016 terug in Nederland, die taak werd overgenomen door Duitsers en later Canadezen. Voor de verkenners die nu nog in Mali zijn heeft Nederland geen opvolging kunnen vinden.

Militair waren die modules wel onhandig, omdat iedere poot afzonderlijk rapporteerde aan het VN-hoofdkwartier, dat vervolgens de besluiten nam. Hierdoor hadden de verschillende onderdelen van de missie vaak niet door wat de ander aan het doen was, ook al zaten ze naast elkaar.

En de VN op missie is toch al log en lastig te doorgronden, zeggen militairen en deskundigen, door het grote aantal deelnemende landen – meer dan veertig in Mali, met ieder hun eigen cultuur en taal.

2. Vruchtbare inlichtingen

Van de kleine vierhonderd Nederlandse militairen die in Mali opereerden, maakten 220 deel uit van de ‘inlichtingenketen’: zeventig analisten, negentig militairen van de verkenningseenheid en zestig militairen met vier Apache-helikopters. Op alle mogelijke manieren verzamelden zij informatie over plekken waar spanning was of zou kunnen ontstaan: ze vlogen met drones en helikopters, observeerden vanuit posten, spraken met de lokale bevolking en ondernamen verkenningspatrouilles. De informatie werd verwerkt in rapporten, die uiteindelijk op het hoofdkwartier in Bamako belandden. De force commander, de hoogste militair, kon op basis daarvan besluiten actie te ondernemen.

„Wij patrouilleerden onder andere op de grenzen die de partijen hadden afgesproken in het vredesakkoord”, vertelt Jord. „Op een gegeven moment zagen wij aan één kant troepenopbouw van een vijandige groep, die duidelijk de grens wilde oversteken.” Rapportage leidde ertoe dat de VN een eenheid van Bangladesh in het grensgebied stationeerde. „Vervolgens zagen we de troepenopbouw minder worden.”

Deze ‘pro-actieve’ aanpak was nieuw voor de VN, die altijd gewend was ‘reactief’ op te treden, bijvoorbeeld pas als rebellen de grens daadwerkelijk oversteken. Voor de VN als internationale vredesorganisatie hadden inlichtingen altijd een té militaire en té nationale geur gehad, maar inmiddels was de VN overtuigd van het nut. Op het VN-hoofdkwartier in New York ligt voor het eerst in de geschiedenis een ‘handboek inlichtingen’ klaar om gepubliceerd te worden.

Soms frustreerde het militairen dat hun doorwrochte rapportages op het hoofdkwartier ongebruikt en misschien ook ongelezen bleven. „Ik vind die frustratie wel relevant, maar niet bepalend”, zegt Middendorp. „De inlichtingen zijn ook een diepte-investering om de VN te helpen effectiever te zijn in hun missies.”

Zeker in het begin maakten de Nederlanders hun rapporten ook veel te ingewikkeld, vertelt een anonieme militair. „We schreven lange teksten over waarom bepaalde groepen uit het vredesproces stapten, in mooi Engels met het liefst een paar dure woorden. Een Britse bezoeker zei: ‘Jullie gebruiken woorden die wij niet eens gebruiken’. Toen zijn we overgestapt op plaatjes, zoals luchtfoto’s van pick-ups, ingezoomd op de vlag.” Die werden beter begrepen.

Deskundigen zien de Nederlandse inlichtingen in Mali als „een Ferrari” dan wel „een Porsche in de woestijn”. Oftewel: een kwalitatief hoogstaand product dat niet optimaal werd benut.

3. Kennis van Sahel-regio

In Europa heeft alleen Frankrijk (en België een beetje) relevante kennis van de Sahel-regio, die als een strook aan de ondergrens van de Sahara het hele Afrikaanse continent van west naar oost bestrijkt. In dit gebied kan de gevoelstemperatuur oplopen tot zestig graden. „Die temperatuur en de regen zijn fnuikend voor auto’s en helikopters”, zegt kolonel Joost de Wolf. „We hadden veel last van het zand. De slijtage was groter dan normaal. Dat hebben we onderschat.”

De Sahel, met ook Libië en Algerije, is al jaren onrustig. Groepen strijden met elkaar om land, maar vooral om handels- en smokkelroutes. Nederlandse militairen kwamen dit tegen op patrouilles. „Door de woestijn liep een karavaan ezeltjes, beladen met cocaïne”, vertelt de anonieme militair. „Die moesten we laten gaan, optreden paste niet in het mandaat.” Hetzelfde gold voor de vrachtwagens vol mensen die militairen aantroffen.

De drugsroutes lopen ruwweg van west naar oost, met cocaïne die vanuit Zuid-Amerika via Noord-Afrika naar de Balkan gaat en uiteindelijk naar West-Europa. De mensensmokkel gaat in Mali van zuid naar noord en wordt voor Europa pas zichtbaar als de migranten de Middellandse Zee op varen.

Kennis van het gebied helpt om daar iets tegen te doen, zegt terrorisme-onderzoeker Liesbeth van der Heide: „Nederland heeft heel relevante kennis en expertise opgedaan.” Ze hoopt dat die na afloop van de missie niet „in de prullenbak” verdwijnt en dat de inlichtingendiensten hun Mali-teams – deels – in stand houden: „Zo behoud je kennis over bijvoorbeeld terrorisme.”

Nederlandse Apache gevechtshelikopters stijgen op van het vliegveld van Gao in Mali.Evert-Jan Daniels/ANP

4. Vriendschap met de Fransen

De Fransen, die oude en koloniale banden hebben met Noord- en West-Afrika, verdreven begin 2013 de jihadisten uit Mali. Om het vuile werk niet alleen op te knappen, oefenden de Fransen druk uit op de VN om een breed gedragen vredesmissie serieus aan te pakken. Dat werd Minusma.

Dat Nederland als eerste westerse land ja zei tegen deelname, was voor de Fransen een aangename verrassing. „Nederland had een slechte reputatie in Parijs. Een land dat achter de Amerikanen aan holt en aan Europese operaties nauwelijks deelneemt”, zegt Clingendael-onderzoeker Dick Zandee. „Dat is door Minusma totaal veranderd. In Parijs staat de deur nu wijd open.” In een post-Brexit-Europa is een goede band met Parijs nuttiger dan ooit. „Een door Buitenlandse Zaken niet voorzien, maar belangrijk bij-effect, is dat Nederland op het gebied van veiligheid en defensie meer is gaan voelen voor Europese samenwerking”, aldus Zandee.

De Frans-Nederlandse samenwerking blijft ook na de Mali-missie bestaan, zegt Middendorp. „We heb permanent mensen in Parijs om mee te kijken bij hun directie operaties. We hebben een vaste uitwisseling van officieren. En Franse en Nederlandse eenheden trainen samen. Dat helpt ons – ook om de Franstaligheid te verbeteren.”

5. Behoud van tempels

Jihadisten die tempels verwoesten en islamitische manuscripten verbranden, sommigen uit de tiende eeuw. Die beelden gingen begin 2013 de wereld over. De opluchting was groot toen kort daarop bleek dat veel manuscripten al in oktober 2012 bij een geheime operatie, grotendeels gefinancierd door het Nederlandse Prins Claus Fonds, waren gered.

Behoud van het Malinese erfgoed werd een doel van Minusma en zou dat blijven tot 2018, toen Unesco die taak overnam. Bescherming van erfgoed stond ook in de brief aan de Kamer, als een van de civiele taken. „Na Minusma ontfermt Unesco zich nu over de conservering van de manuscripten en het herstel van de vernielde monumenten”, zegt Davidse, voormalig plaatsvervangend missie-chef. „Minusma heeft ook natuurlijk erfgoed beschermd: het doden van zeldzame Gourma-olifanten is vrijwel gestopt.”

Andere civiele taken, zoals opbouw van de rechtsstaat, zijn veel minder goed uit de verf gekomen, zegt kolonel De Wolf. „Nederland had civiel sterker in deze missie mogen stappen. Het duurde lang voordat er Nederlandse mensen voor die civiele taken kwamen en het waren er niet veel. Terwijl militairen vooral moeten zorgen dat de civiele taken kunnen worden uitgevoerd.” Dat gebeurde wel, zegt Davidse: „In het noorden bevorderden civiele teams mensenrechten en ontwapening, waardoor de missie lokale conflicten heeft opgelost en gemeenschappen beschermd.”

Han ten Broeke vindt dat „civiele doelen niet overschat moeten worden”. Mali is volgens hem al jaren een ‘donor-darling’, met jaarlijks miljarden aan ontwikkelingsgelden. „Dat heeft er niet toe geleid dat het land veiliger is geworden.”

Het civiele doel dat Ten Broeke wel van belang vindt, het beperken van migratiestromen, kwam niet uit de verf. „Daar zijn we inderdaad niet erg succesvol in geweest.”

Een zandstorm trekt over kamp Castor. Evert-Jan Daniels/ANP

6. Oefening

De Duitsers kregen iedere vrijdag een briefing op hun ambassade in Bamako. „Politieke sturing, waardoor alle deelnemers wisten wat er van hen werd verwacht”, zegt De Wolf, die dat ook signaleerde bij de Fransen. „Iedere Fransman wist wat de gezamenlijke doelen waren. Vanuit Nederland kwam die politieke sturing niet.”

Wat had Den Haag kunnen betekenen? „Zingeving”, zegt de militair die anoniem wil blijven. Hij was erbij toen Bert Koenders in 2015 – inmiddels minister van Buitenlandse Zaken – een kijkje kwam nemen in Gao: „Zijn mantra was: jullie zijn de ogen en oren van de missie. Maar ook de mensen die geen inlichtingen deden – de monteurs, de chauffeurs – moet je meenemen in een groter verhaal over waarom ze in Mali zijn.” Ook de zeldzame keren dat er „wereldvreemde ambtenaren van Buitenlandse Zaken” langskwamen, hadden die geen eigen verhaal: „Terwijl defensie de ijzerwinkel is die zij moeten aansturen.”

Dat verhaal had kúnnen zijn dat Nederlandse militairen weer eens echt oefenden. „Dat is belangrijk: weer eens schieten met een raketwerper of op patrouille gaan in lastig gebied.”

7. Erger voorkomen

In de zomer van 2014 vloog een driemanschap van Bamako naar de noordoostelijk gelegen stad Kidal om een crisis te bezweren: missiehoofd Bert Koenders, de force commander Jean Bosco Kazura uit Rwanda en diens plaatsvervanger Joost de Wolf.

Eind mei had de premier van Mali een bezoek gebracht aan Kidal, het hoofdkwartier van de Toeareg, en de rebellen geprovoceerd door het gouvernementsgebouw in te gaan. De Wolf: „Toen hij ging toeren door de stad werd er geschoten door de Toeareg. Iedereen was in opperste staat van paraatheid.” Koenders en Kazura hoopten de boel te sussen.

„De Toearegs waren heel goed, en het regeringsleger juist heel slecht georganiseerd, dat zou het niet redden bij een confrontatie”, vertelt De Wolf. De drie mannen adviseerden het leger niets te doen. Het leger beloofde dat, viel toch aan en werd in de pan gehakt. De Wolf: „Er vielen ruim honderd doden. Met als effect dat de Malinese autoriteit helemaal verdween uit het noorden, er ontstond een machtsvacuüm. We zouden het vredesverdrag van Ouagadougou uitvoeren, maar de situatie was ineens heel anders geworden.”

Dat was typerend voor de Mali-missie: steeds liepen de deelnemers achter veranderende feiten aan. Terwijl het vizier gericht bleef op terrorisme, laaiden etnische conflicten op. Dat laat ook zien hoe diepgeworteld de problemen in Mali zijn, zegt onderzoeker Van der Heide: „Het ‘sociaal contract’ tussen de nomaden in het noorden en de regering werkt niet, omdat die regering geen gezag heeft. Dan is vrede ook lastig te bereiken.”

Dat herders nu zo hard botsen met milities, zoals bij de massamoord in maart, komt doordat droogte de herders steeds zuidelijker drijft. „We praten vaak over de gevolgen van de klimaatverandering alsof die nog moeten komen”, zegt Van der Heide. „In werkelijkheid zijn ze er al, zie Mali.”

Het voorkomen van totale ineenstorting is al heel wat in Mali, zegt Dick Zandee van Clingendael. „In het noorden is in elk geval geen IS-achtig gebied ontstaan, dat vele jihadisten had aangetrokken.” Echte stabilisering vergt volgens hem „een tot twee generaties”. „Vergeet niet dat de internationale gemeenschap nog steeds in Bosnië zit, al 23 jaar!” Een reëel scenario in Mali. „Voortmodderen.”

Evert-Jan Daniels/ANP