Opinie

Vertrouwenscrisis bij het OM blijkt product eigen bedrijfscultuur

Rapport-Fokkens

Commentaar

Geruststellend aan het onderzoeksrapport over de vertrouwenscrisis in het Openbaar Ministerie dat deze week uitkwam, is dat er niets nieuws in staat. De procureur-generaal bij de Hoge Raad Jan Watse Fokkens, bevestigt alles wat al in de krant stond. Over de geheim gehouden langdurige relatie tussen de procureur-generaal en diens ondergeschikte, over haar achteraf dubieuze promotie tot hoofdofficier, over zijn bevoordelen van eigen familie bij een sofwareaankoop.

Voor geïnteresseerden in de wisselwerking tussen media en overheid is het een casestudy van ‘hoe het niet moet’. Het is haast vermakelijk om te lezen in welke bochten het college van procureurs-generaal zich wrong om de effecten van mogelijke NRC-publicaties voor te zijn, te dempen of te voorkomen. En tekenend tot welke blunders dat leidde. Uitstellen, wegkijken, tenslotte ongeloofwaardige gelegenheidsoplossingen kiezen. En daar dan intern niet transparant en extern niet eerlijk over zijn, in de hoop dat het allemaal overwaait. Ook de snelheid waarmee intern het inzicht voortschreed dat men er desondanks een puinhoop van aan het maken was, is haast aandoenlijk.

Behalve dan dat het Openbaar Ministerie bij uitstek die overheidsclub had behoren te zijn met juist het scherpste oog voor wat behoorlijk is. En voor wat dat niet is. In die zin was dit ook een historische blunder. Dat ‘lekken naar de pers’ pas ontstaan als de eigen organisatie de misstanden niet meer te tolereren vindt, is een waarheid als een koe. Toch horen directies het loeien wel vaker pas als het te laat is. Niet de publicatie is dan het probleem, net zomin als degene die het naar buiten bracht. Maar wát er naar buiten komt en dát het naar buiten komt, zijn van belang. Naast de constatering dat het OM tekortschietend „ethisch leiderschap” toonde, is misschien wel de belangrijkste conclusie dat het onvoldoende zelfreinigende werking heeft. Ook de brede strekking van de adviezen en de toezeggingen laten zien dat dit een grote zaak was en geen besmuikt relatierelletje.

Het rapport-Fokkens en de reactie van het huidige college zijn vooral ook interessant als het gaat over wat er nu moet gebeuren. Het siert het OM, althans de huidige leiding, dat daar geen doekjes om worden gewonden. Men gaat model door het stof, noemt de gedragsoverschrijdingen onaanvaardbaar, erkent zelf niet goed te hebben gehandeld, onderschrijft alle adviezen en kondigt het onvermijdelijke verbeterprogramma aan. Daarin is bijvoorbeeld sprake van een onafhankelijke visitatiecommissie en een algemene verbetering van „governance, cultuur en gedrag”.

Over de diepere oorzaken zijn die passages over de cultuur en structuur van het OM het bewaren waard. De top bestaat feitelijk uit een carrousel van dezelfde personen die elkaar opvolgen – het leidt tot monopolisering van topposities die veelal te lang worden bezet, met scheve verhoudingen tot gevolg. De vraag naar hoofdofficieren op de juridische arbeidsmarkt blijkt beperkt en een terugkeer naar de zittingszaal „wordt niet overwogen”, schrijft Fokkens. Zo bezien is deze affaire er een uit de gouden kooi van het management dat de aansluiting met de werkvloer heeft verloren. Pas sinds vorig jaar zitten er twee ‘buitenstaanders’ in het college van pg’s. Een van hen is oud-rechter, wat bij het OM kennelijk geldt als ‘van buiten’. Een deel van de oplossing is daarmee gegeven: zet de deuren open voor nieuwe mensen, ook uit andere werkvelden. En: maak van management geen eindstation maar geef de werkvloer prioriteit.