Verschijntruc: ineens is er ’n bronstijdrijk

Archeologie In Europa leefden in de vroege bronstijd vooral boerende groepen. Maar een succesvolle Duitse prehistoricus beweert nu dat er een hiërarchische staat met een leger was – en dat doet hij in een populair-wetenschappelijk boek.

De Hemelschijf van Nebra, waarop de zon, de maan en sterren zijn afgebeeld.
De Hemelschijf van Nebra, waarop de zon, de maan en sterren zijn afgebeeld. Foto AP

De Duitse prehistoricus Harald Meller heeft een verdwenen rijk ontdekt. Zegt hij. Niet in de jungle van Zuid-Amerika of de binnenlanden van Afrika, maar midden in Duitsland. In wat nu de deelstaat Saksen-Anhalt is, zou tussen 2000 en 1600 voor Christus een staat zijn geweest, compleet met een koning, dynastieke opvolging, een kalender en een georganiseerd leger dat de grenzen verdedigde.

Dat kan niet waar zijn, zal bijna iedere archeoloog denken, ook al is Meller de hoogste archeoloog van Saksen-Anhalt, directeur van het Landesmuseum für Vorgeschichte in Halle aan de Saale en bijzonder hoogleraar archeologie van Europa aan de Universität Halle. De heersende opvatting is dat in die periode, de vroege bronstijd, wel in Egypte, Mesopotamië en Anatolië georganiseerde rijken waren, maar niet in Europa, en zeker niet in Midden- en Noord-Europa. Daar leefden vooral boerende groepen. Anthony Harding spreekt in zijn standaardwerk European Societies of the Bronze Age (2000) dan ook nergens van staten, maar van territoria met een oppervlakte van hoogstens enkele honderden vierkante kilometers. Ook in The Oxford Handbook of the European Bronze Age (2014) ontbreken archeologische vondsten die wijzen op het mogelijke vroegere bestaan van een staat met een oppervlakte van ongeveer 18.000 vierkante kilometer. Waar haalt Meller zo’n staat dan ineens vandaan?

Waar haalt Meller zo’n staat ineens vandaan?

Nog iets wat bij voorbaat de wenkbrauwen doet fronsen: Meller presenteert zijn vondst en nieuwe theorie niet in een vakblad, maar in een populair-wetenschappelijk boek, dat hij vorig jaar samen met wetenschapsjournalist Kai Michel publiceerde en waarvan begin dit jaar de Nederlandse vertaling verscheen, De Hemelschijf van Nebra.

Toch maakt het feit dat Meller de auteur is ook nieuwsgierig. Hij is een opvallende figuur in de Duitse archeologie. Afkomstig uit Beieren heeft hij in Halle van een lekkend gebouw een goed bezocht en bijzonder ingericht museum gemaakt – er staat onder meer een reconstructie van een neanderthaler in de pose van de Denker van Rodin. Van Saksen-Anhalt heeft Meller – door grootschalige onderzoeksprojecten te stimuleren – een walhalla voor archeologen gemaakt, waar veel bijzondere vondsten worden gedaan, zoals een middeleeuwse alchemistenwerkplaats en de beerput van het huis van Martin Luther. Tijd om te gaan lezen.

Eerste deel van het boek:

De Hemelschijf van Nebra

Het eerste deel van het boek is gewijd aan de Hemelschijf van Nebra, een bronzen schijf met een diameter van dertig centimeter waarop in goud de zon, de maan en sterren zijn afgebeeld. In krimi-stijl gaat het over de vondst, in 1999 bij de plaats Nebra, door twee grafrovers met een metaaldetector. Over de undercoveroperatie van Meller en de politie drie jaar later om de schijf uit handen van helers te krijgen. En over het (natuur)wetenschappelijk onderzoek dat duidelijk maakte dat de schijf geen vervalsing is, maar rond 1800 voor Christus gemaakt en tweehonderd jaar later ritueel in de grond gestopt.

Ook gaat het over het onderzoek van astronoom Rahlf Hansen, die in 2006 stelde dat de schijf een maan- en zonnekalender ineen was, en dat met de schijf berekend kon worden wanneer een schrikkelmaand ingevoegd moest worden om het maanjaar gelijk met het zonnejaar te laten lopen. Volgens Hansen vereiste de kalender op de schijf minstens zestig jaar observatie van de hemel. Dat was problematisch in het bewolkte ‘Duitsland’ en daarom ging hij ervan uit dat de schrikkelregel was overgenomen uit Babylon, waar die kennis op spijkerschrifttabletten was vastgelegd. Voor Meller reden om zich af te vragen in wat voor wereld en beschaving de schijf een rol heeft gespeeld.

Tweede deel van het boek:

Harald Meller bouwt een rijk

Voor het antwoord brengt Meller in het tweede deel van het boek oude en nieuwe archeologische vondsten met elkaar in verband. In 2005 is bij Pömmelte, honderd kilometer ten noorden van Nebra, een uit houten palen en aarden wallen opgetrokken cirkelvormig heiligdom ontdekt. In die cirkel bevonden zich graven waarin steenbijlen lagen, en gewelddadig gedode vrouwen en kinderen. Het heiligdom moet tussen 2350 en 2050 voor Christus in gebruik zijn geweest. In die periode hadden de krijgshaftige volkeren van de Klokbeker- en Touwbekerculturen zich vanaf de oostelijke steppen in Midden-Duitsland gevestigd.

Amper 1.300 meter verder, bij Schönebeck, vonden archeologen in hetzelfde jaar een vergelijkbaar heiligdom uit een iets latere periode, tussen 2100 en 1800 voor Christus. Hier geen graven en gewelddadige mensenoffers. Meller ziet hierin een overgang van een periode van geweld naar een periode van vrede. Het is ook precies de periode dat volgens modern genetisch onderzoek de Touwbekercultuur en de Klokbekercultuur zich hebben vermengd.

En het is ook de periode dat een nieuwe cultuur ontstond, de Aunjetitz- of Únetice-cultuur. Deze beschaving is vernoemd naar een Boheemse plaats, een paar kilometer ten noordwesten van Praag, waar in 1876 een arts-archeoloog twee grafvelden met het voor de cultuur kenmerkende gladde en donker gepolijste aardewerk heeft gevonden.

In gewone graven werden geen wapens meer meegegeven

In de gewone graven werden geen wapens meer meegegeven. Wel aan wat Meller omschrijft als vorsten, die onder grote grafheuvels – diameter ruim dertig meter, hoogte ruim acht meter – werden bijgezet. Zulke grafheuvels zijn in het gebied rond Nebra gevonden: in 1877 bij Leubingen en in 1907 bij Helmsdorf.

Bij Leubingen is in 2011 ook de plattegrond van een groot gebouw met een lengte van 44 meter en een breedte van 10,5 meter gevonden. Ook waren er 98 bronzen bijlen en twee zilveren dolken in de grond gestopt. Volgens Meller gaat het niet om een rituele depositie, maar om de wapens van een legereenheid met twee leiders die in een ‘kazerne’ gelegerd waren. In Midden-Duitsland zijn namelijk nog meer wapenvondsten gedaan, in totaal zijn 1.174 bijlen, 36 stafdolken, 20 dolken, en 11 dubbele bijlen gevonden. Een verhouding die Meller doet denken aan het bestaan van een machtsstructuur en dus een leger.

En het bestaan van een staand leger veronderstelt weer een hiërarchisch ingerichte maatschappij. Meller onderscheidt verschillende sociale klassen, te herkennen aan een soort kleurcode die ook in de graven is terug te vinden: goud was alleen voor de allerhoogsten, daarna volgden zilver en brons, de allerlaagsten hadden geen edelmetalen met een kenmerkende kleur.

Rond 1800 voor Christus is er zo’n accumulatie van rijkdom en macht, schrijft Meller, dat de vorst koning is geworden. Hiervan getuigt volgens hem de ontdekking in 2014 van de resten van de Bornhöck bij Rassnitz, een afgegraven grafheuvel met een diameter van 65 meter die zeker 15 meter hoog geweest moet zijn. De koning regeerde over een groot rijk dat, zo blijkt uit metallurgisch onderzoek, goud uit Cornwall en tin uit de Alpen haalde. Het vormde ook een economisch machtsblok, getuige het feit dat Scandinavië tot 1600 voor Christus van brons verstoken bleef.

De koning regeerde over een groot rijk dat goud uit Cornwall en tin uit de Alpen haalde

Voor het reilen en zeilen in zo’n rijk kwam volgens Meller een kalender van pas. Er zijn geen bewijzen voor, maar hij acht het mogelijk dat bijvoorbeeld een zoon van de koning in Mesopotamië is geweest en de kennis van de schrikkelregel heeft meegenomen. Als symbool van macht zou die kennis in een bronzen schijf met gouden hemellichamen zijn gevat. Daarna was de koning, die dankzij de schijf zelfs maanverduisteringen kon voorspellen, niet langer vertegenwoordiger van het volk bij de goden, maar vertegenwoordiger van de goden bij het volk. Rond 1600 voor Christus, als de vulkaan van Thera (Santorini) tot uitbarsting is gekomen, is volgens Meller een crisis uitgebroken die de koning ertoe bracht een ultiem offer aan de goden te brengen: de hemelschijf. Zonder succes, want Meller laat het Nebra-rijk na 400 jaar ten onder gaan.

En hoe nu verder?

Alsof het een goocheltruc is

Na lezing is er het gevoel naar een goochelaar gekeken te hebben. Alles past, maar ergens klopt iets niet. Als er een rijk is geweest moet er een soort hoofdstad zijn geweest, maar waar dan? En liggen de grote grafheuvels niet een beetje te ver uit elkaar voor een rijk met een dynastieke opvolging? Zou er – als er zo’n groot en machtig rijk is geweest en als er direct contact met Mesopotamië is geweest – niet iets terug te vinden moeten zijn in Mesopotamische of Egyptische teksten? Wat betekent het feit dat de Únetice-cultuur in Bohemen al rond 1700 voor Christus is verdwenen? Is de schijf echt wel een kalender geweest? Al in 2006 twijfelden andere astronomen aan die interpretatie en vijf jaar geleden nog verscheen in het Handbook of Archaeoastronomy and Ethnoastronomy een artikel waarin werd gesteld dat de schijf niet meer was dan een symbolische voorstelling van de kosmos.

In Duitsland hebben boek en theorie veel media-aandacht gekregen, maar er zijn nog geen reacties van archeologen. Wel is er indirecte wetenschappelijke goedkeuring, want een jury met de vooraanstaande prehistoricus Hermann Parzinger heeft het boek op de shortlist gezet van de wbg-Wissen!Preis voor het beste non-fictieboek op het gebied van de geesteswetenschappen.

In Duitsland hebben boek en theorie veel media-aandacht gekregen

David Fontijn, hoogleraar bronstijd aan de Universiteit van Leiden, heeft het boek nog niet gelezen. Maar hij kan wel iets zeggen over een mogelijk leger, omdat Meller daarover in 2017 in Antiquity heeft gepubliceerd. Fontijn vindt dat idee te ver gaan. „Ik krijg het idee dat hij er een middeleeuws model opplakt. Als het bij Leubingen om een legeronderdeel zou gaan, waarom zijn de bijlen dan niet allemaal van dezelfde kwaliteit?” In het algemeen: „Meller had zijn theorie eerst in een vakblad moeten presenteren. Dat is de wetenschappelijke gewoonte. Maar ik zal de zaak zeker op college behandelen en ben benieuwd wat mijn studenten vinden.”

Meller zegt desgevraagd via Skype dat hij bewust eerst een populair-wetenschappelijk boek heeft geschreven. „Ik heb een voorbeeld genomen aan collega’s in Groot-Brittannië en wilde het publiek iets teruggeven voor zijn belastinggeld.” De vergelijking met een goochelaar vindt hij niet aangenaam. „Ik verdoezel niets, baseer me op vondsten en feiten en geef aan waar ik speculeer, zoals met de reis naar Mesopotamië.” Hij pareert verder door te zeggen dat hij het manuscript naar verschillende buitenlandse bronstijdspecialisten heeft gestuurd en dat niemand ernstige kritiek had. „Bel ze maar.”

Michal Ernée, prehistoricus bij de Tsjechische Academie van Wetenschappen en gespecialiseerd in de Únetice-cultuur, is er een van. Hoewel zelf hoofdredacteur van een peer reviewed Tsjechisch vakblad tilt hij niet zwaar aan het feit dat Meller zijn theorie van een Nebra-rijk niet eerst in een vakblad heeft gepresenteerd. „In zo’n blad publiceren betekent meestal alleen maar dat je goed Engels kunt schrijven.” Over het bestaan van een leger zegt hij dat het mogelijk is. De aantallen gevonden bijlen, stafdolken, dolken en dubbele bijlen wijzen volgens Ernée op een specifiek verdelingspatroon. „Mellers suggestie dat er kazernes en een commandostructuur waren zie ik als een uitgangsidee.”

Wetenschap is stenen in het water gooien

Harald Meller prehistoricus

Een maatschappelijke kleurencode acht hij ook niet uitgesloten. „Maar daarvoor is meer onderzoek nodig. En niet alleen in Midden-Duitsland.” Daarmee komt hij op zijn voornaamste bezwaar: „Het centrum van de Únetice-cultuur lag in Bohemen. Wij hebben geen Nebra-schijf en geen grote grafheuvels, maar onze graven waren wel veel rijker aan goud en barnsteen. Hier was dus misschien ook een koninkrijk, maar met een ander sociaal en politiek systeem. Het is te vroeg om over een staat in Midden-Duitsland te spreken zonder analyse van de hele Midden-Europese context en de hele Únetice-wereld.”

Maar hij zegt ook: „Uiteindelijk hou ik van boeken als die van Meller, omdat ze inspireren, provoceren en je zaken op een andere manier laten bekijken.” Daarin kan Meller zich uiteraard vinden: „Wetenschap is stenen in het water gooien. Het mooiste is een these brengen die weer tot een nieuwe these leidt.”