Opinie

Tech-romans zijn van alle tijden

Michel Krielaars

De boekenbijlage gaat deze week over de invloed van technologie op romans en non-fictie. Een actueel onderwerp, zeker nu er in China genetisch gemanipuleerde kinderen zijn geboren en je je afvraagt hoe lang het nog duurt voordat we een chip krijgen geïmplanteerd, waardoor we op afstand kunnen worden aan- of bijgestuurd.

Fictie-schrijvers worden al zeker anderhalve eeuw door technologie geïnspireerd. Lees Jules Verne, die in 1869 en 1870 zijn Twintigduizend mijlen onder zee publiceerde en in 1865 en 1869 De reis naar de maan en De reis om de maan, die later werden gebundeld in De reis naar de maan in 28 dagen en 12 uren.

Verne’s maanreizigers worden afgeschoten door een reusachtig kanon, waarna ze om de maan heen vliegen zonder er te landen. Het toeval wil dat dit laatste in 1968 ook met de ruimtevlucht van de Apollo 8 en twee jaar later met die van de Apollo 13 zou gebeuren.

En dan is er nog de geheimzinnige kapitein Nemo uit Twintigduizend mijlen onder zee, die met de Nautilus, zijn eigenhandig gebouwde duikboot, de wereldzeeën bevaart. Die Nautilus wordt aangedreven door elektriciteit en is voorzien van hypermoderne apparatuur.

Als 19de-eeuwse bourgeois houdt Nemo natuurlijk ook van kunst en literatuur. Dat blijkt uit de omvangrijke bibliotheek en de kunstcollectie aan boord van zijn duikboot. En dan speelt de kapitein ook nog op een orgel, dat als een altaar in de grote zaal van de Nautilus staat.

In de 20ste eeuw zijn er nog indrukwekkendere voorbeelden van tech-romans te noemen. Een hoogtepunt blijft 1984, de uit 1949 daterende anti-utopische toekomstroman van George Orwell, die een dictatuur beschrijft in een land dat sterk aan Stalins Sovjet-Unie doet denken.

Opvallend is dat diezelfde Sovjet-Unie uitblinkt in vergelijkbaar goede tech-romans. Zo is er Michaïl Boelkakovs Hondenhart (1925), waarin een professor in het kader van een verjongingsexperiment de testikels en pijnappelklier van een zojuist overleden, agressieve muzikant overplant in een hond. Die hond wordt nu een vloekend en tierend mens, die in opstand komt tegen zijn schepper.

Even fascinerend zijn de romans en verhalen van de gebroeders Arkadi (1925-1991) en Boris (1933-2012) Stroegatski. Zij schreven speculatieve science-fiction, die zich afspeelt in een sprookjesachtige wereld met allerlei verwijzingen naar de mankementen van het socialistisch systeem van de Sovjet-Unie uit hun tijd.

De hoofdpersonen van de Stroegatski’s komen uit het Noon Universum, een planetenstelsel met een zeer hoog sociaal, wetenschappelijk en technologisch beschavingsniveau. Zo bestaat er geen geld, heeft iedereen een beroep dat hem interesseert en worden de planeten bestuurd door een raad van de belangrijkste wetenschappers en filosofen. Het is communisme in zijn meest ideale en natuurlijke vorm.

Een belangrijke rol in die boeken wordt gespeeld door de Progressors, vertegenwoordigers van het Noon Universum die de ontwikkeling van minder beschaafde samenlevingen moeten aansturen. Zo worden ze naar de wrede, aardse Middeleeuwen gestuurd. En wat blijkt? Die Middeleeuwen lijken in sommige opzichten op de wereld van nu.