Recensie

Recensie Boeken

Door een erfenis kan hij Adam aanschaffen voor 86.000 pond

De toekomstroman In Ian McEwans nieuwe roman die in het verleden speelt schaft een dertiger een kunstmatig mens aan die voor een echt mens kan doorgaan.

Illustratie Jenna Arts
    • Rob van Essen

Een dertiger met een ingegroeide teennagel zit in de wachtkamer van zijn huisarts en overdenkt het toeval. Hij kijkt naar de posters aan de muur die waarschuwen tegen infecties en bedenkt: stel dat in de zeventiende eeuw iemand al had bedacht dat de micro-organismen die Antoni van Leeuwenhoek door zijn microscoop zag, verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor het overbrengen van ziekten. Hoe anders zou de wereld er nu dan uitgezien!

De eigenaar van de opspelende nagel is Charlie Friend, hoofdpersoon in Machines Like Me, de nieuwe roman van Ian McEwan (1948). Dat Charlie over alternatieve werelden nadenkt is een knipoog van McEwan naar zijn lezers, want die hebben in de zestig pagina’s die ze inmiddels hebben gelezen ontdekt dat het boek dat ze in handen hebben zelf ook in een alternatieve versie van onze wereld speelt, tijdens de jaren tachtig van de twintigste eeuw. Margaret Thatcher is premier, maar de Falklandoorlog is gewonnen door Argentinië, en, belangrijker, de ontwikkeling van computertechniek en kunstmatige intelligentie is in deze parallelle wereld een stuk sneller gegaan – niet in de laatste plaats omdat de geniale wiskundige Alan Turing gewoon is blijven leven, in plaats van in 1954 zelfmoord te plegen nadat hij vanwege homoseksuele handelingen was vervolgd en veroordeeld.

Deze constructie zorgt voor een merkwaardig effect: Machines Like Me is een toekomstroman die in het verleden speelt. Zoiets is McEwan wel toevertrouwd, want als hij ergens goed in is, is het wel in het ontwerpen van slim geconstrueerde romans. In Machines Like Me leeft hij zich uit op het variëren met bekende gebeurtenissen, en de effecten die hij daarmee bereikt zijn zowel herkenbaar als lichtelijk vervreemdend. Zo schreef Joseph Heller de roman Catch-18 en komen twaalf jaar nadat ze uiteengingen The Beatles weer bij elkaar. Maar al die dingen zijn toch eigenlijk achtergrondruis bij het verhaal van Machines Like Me.

Vrijpartij

Door een erfenis is de al genoemde Charlie Friend in staat een gloednieuw kunstmatig mens aan te schaffen, een Adam. De term robot zou een verkeerde indruk geven; Adam is zo natuurgetrouw dat hij zonder meer voor een mens kan doorgaan. Exclusief is hij ook, een Adam kost 86.000 pond en er zijn er maar twaalf van gemaakt, naast dertien Eva’s.

Het is niet meteen duidelijk waarom Charlie een Adam wil hebben. Charlie leidt een wat richtingloos bestaan, zijn geld verdient hij door vanachter zijn computer op de beurs te speculeren. Hij krijgt iets met zijn tien jaar jongere bovenbuurvrouw Miranda, die een geheim met zich meedraagt waarvan Adam meer weet – die heeft tenslotte toegang tot internet en kan met razende snelheid informatie verwerken.

Miranda’s verleden zorgt voor spanning in het verhaal, op een gegeven moment gaat ze ook nog met Adam naar bed. Dat zo’n vrijpartij met een kunstmens nogal ingrijpend moet zijn, sneeuwt een beetje onder in het verhaal. Zoals vaker bij McEwan zijn de personages in Machines Like Me stukken die zich op het schaakbord dat de auteur voor ze heeft klaargelegd voortbewegen volgens regels die de auteur voor ze heeft ontworpen. Soms levert dat fascinerende, knap geconstrueerde boeken op (Suikertand, Notendop), waarbij je zo nu en dan wat ongeloofwaardige zaken moet accepteren, maar in Machines Like Me sleept McEwan zijn stukken wel héél duidelijk van vakje naar vakje.

Disfunctioneel gezin

Zo is hij er niet in geslaagd van Charlie Friend een overtuigend personage te maken. Diens interesses en gedrag staan in dienst van het verhaal. Charlie heeft ooit antropologie gestudeerd en interesseert zich voor kunstmatige intelligentie, maar die achtergrond lijkt niet naturel, alsof McEwan hem die alleen maar heeft meegegeven om hem geschikt te maken te filosoferen over de vraagstukken die het bestaan van een kunstmatig mens als Adam oproept. Charlie is degene die het verhaal vertelt, maar je krijgt hem nooit scherp in beeld. Soms heeft hij het over vrienden met wie hij dingen bespreekt, maar nergens in het verhaal komen die vrienden voor, ze blijven abstract.

Lees ook: In de nieuwe roman van Ian McEwan is een foetus aan het woord

En dan is er ook nog Mark, een jongetje uit een disfunctioneel gezin dat op een gegeven moment het leven van Charlie en Miranda (en Adam) binnen rent. Een echt mens, als tegenwicht voor de kunstmatige Adam. Maar ook die verhaallijn komt niet goed uit de verf, en is niet erg geloofwaardig.

Erger is nog dat het verhaal op verschillende momenten iets reportage-achtigs krijgt; je maakt de gebeurtenissen niet mee, er wordt je verteld wat er is gebeurd. En dat is jammer, het verhaal had een tragische diepgang kunnen krijgen, zeker wanneer blijkt dat steeds meer Adams en Eva’s ervoor kiezen zichzelf uit te schakelen.

Gehoorzaam

Het is alsof McEwan verhaal en personages heeft opgeofferd aan ideeën. En ideeën bevat Machines Like Me genoeg. Het grootste deel van die ideeën cirkelen rond Adam, en zijn verhouding tot de menselijke wereld. Hij groeit geestelijk door wat hij leert, en wordt steeds zelfstandiger. Hij gehoorzaamt steeds meer zichzelf in plaats van zijn eigenaar. Dat roept interessante vragen op. Wat is bewustzijn? Hoe herkennen we bewustzijn in kunstmatige intelligentie? Welke rechten bezit een kunstmatig mens? De belangrijkste vraag is misschien wel: hoe halen we het in ons hoofd de menselijke geest na te bootsen wanneer we nog niet eens weten hoe die precies werkt? Maar interessante vragen maken nog geen goede, overtuigende roman.