Opinie

    • Geert Buelens

Ook u bent nationalist (en niet alleen op Koningsdag)

Nationalisme De meeste Nederlanders menen wars te zijn van nationalisme, maar ook kosmopolieten zijn door hun natie gevormd, schrijft . Omarm het nationale, meerstemmige verhaal.

Illustratie Max Kisman

Koningsdag – dat zeldzame moment op de Nederlandse kalender waarop ‘zorgeloze kosmopolieten’ en ‘verkrampte nationalisten’ samen door Oranjegekleurde steden en dorpen hossen. De 364 andere dagen lijken ze het niet eens te kunnen worden over het land waarin ze wonen: een ‘roofstaat’ of een ‘gaaf land’? Een aan een perfide kongsi van journalisten, wetenschappers en kunstenaars overgeleverde kasplant of een natie die niets liever wil zijn dan een baken van liberale Verlichting?

De felheid van het debat verhult vaak hoezeer voor al deze gepassioneerde politici, opiniemakers en twitterati Nederland het vanzelfsprekende centrum van hun gedachten vormt. ‘Nationalisme’ geldt hier nog vaak als een scheldwoord (en in beperkte kring als een geuzenterm). Op deze meest Nederlandse dag van het jaar moet u het maar aannemen van deze Vlaamse Belg: je struikelt in Nederland over nationalistisch denken, juist ook in die kringen die zich progressief en kosmopolitisch wanen. Kortom: u bent een natie van nationalisten.

De Belg wordt geboren met een identiteitscrisis. Op het voetbalteam en liefde voor frieten na is dit zo ongeveer het enige dat zowat alle Belgen delen: het gevoel niet te weten wat die nationale identiteit precies inhoudt. In de zorgeloos postmoderne jaren negentig leidde dat tot montere nationalistische deconstructies, maar van die ironische vrolijkheid schiet nu al lang niets meer over. Het spook van de voor racisme veroordeelde partij Vlaams Blok hield ons eerlijk gezegd in die jaren negentig ook al uit onze slaap en dat doet het vandaag nog altijd, ook al omdat die partij (vandaag Vlaams Belang genoemd) zich intussen vergezeld weet van de N-VA, de grootste Vlaams-nationalistische partij uit de Belgische geschiedenis en de belangrijkste machtsfactor in het land. Samen vertegenwoordigen ze ruim 40 procent van de Vlamingen; partijen die dus als allereerste programmapunt delen: een onafhankelijk Vlaanderen. Ondanks alle hysterie op Twitter en in de Tweede Kamer is de Nederlandse identitaire crisis zo beschouwd eigenlijk best relatief. Mijn geboorteland houdt misschien op te bestaan – dat is toch nog van een andere orde dan wat schermutselingen bij Pauw of Jinek.

Vulgair nationalisme

De gemiddelde Nederlander – en al helemaal het hoogopgeleide, kwaliteitskrant en Groene Amsterdammer lezende VPRO-lid – kan en wil zich bij die Vlaamse variant niks voorstellen. Die vorm van nationalisme wordt in die kringen vulgair gevonden. En vulgaire kanten heeft hij zeker. Maar hij is veel minder uitzonderlijk dan in Nederland veelal wordt gedacht. Het gros van de Afrikaanse landen is het product van nationalistische bevrijdingsbewegingen (ook Nelson Mandela’s ANC – African National Congresss – was overigens zo’n beweging; en de Congolese leider Lumumba noemde zich een nationalist). En van de landen die nu deel uitmaken van de Europese Unie kent een grote meerderheid deze politieke en culturele variant. Meer nog: het gros van die landen zou zonder die vorm van nationalisme niet eens bestaan. Finland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slowakije, Ierland, Slovenië en Kroatië zijn allemaal gevormd door een typisch negentiende-eeuws romantisch nationalisme dat werd ontwikkeld en uitgedragen door vooraanstaande schrijvers en componisten. De meeste van deze landen zijn ongeveer honderd jaar oud – producten van de Eerste Wereldoorlog en het Verdrag van Versailles. En dan zijn er natuurlijk nog de Schotten die weg willen uit het Verenigd Koninkrijk, om nog maar te zwijgen van de Catalaanse nationalisten die nu terecht staan in Madrid.

Daarnaast bestaan er nationalistische bewegingen die zich verhoudingsgewijs in stilte manifesteren, wat ze voor veel Nederlanders misschien respectabeler maakt – wat echter niet betekent dat ze hier dan wél ernstig worden genomen.

De Friezen, bedoel ik dus.

Het Europa van vandaag is het product van nationalisme. Dat nationalisme bracht in de negentiende eeuw de moderne natiestaat voort (Nederland inbegrepen), maar ook twee catastrofale wereldoorlogen en de even catastrofale kolonisatie.

Terechte scepsis

Er zijn dus goede redenen om heel sceptisch tegenover het nationalisme te staan. Het is een politiek idee, maar in de praktijk waarin dat idee grote mensenmassa’s verovert lijkt het vooral op een hartstocht die, zoals hartstochten soms neigen te doen, vervaarlijk tegen de dood kan aanschurken. Wanhopige liefde kan tot een passionele moord of zelfdoding leiden; gefrustreerd nationalisme tot oorlog en massamoord.

In de lente van 2005 werd ik aangesteld als hoogleraar in Utrecht en verhuisde ik naar Nederland. Ik arriveerde in een land in volle campagne tegen de Europese Grondwet. Nu is er veel kritiek mogelijk en wellicht zelfs wenselijk op het functioneren van de Europese Unie, maar wat ik nooit zal vergeten is de schamperheid waarmee Nederlandse intellectuelen reageerden toen minister Donner erop wees dat de Unie onze garantie op vrede was en dat tegenstemmers met vuur speelden. Wie vandaag terug kijkt naar dat debat kan uiteraard moeilijk anders dan vaststellen dat de financiële crisis van 2008 en de discussies over migratie dit decennium de Unie veel meer onder druk hebben gezet dan die al bij al tamelijk impactloze Grondwet.

Lees ook dit opiniestuk van Marc Reynebeau: Het Pronkstuk van Nederland walmt van het nationalisme

Maar nu extremisten, nativisten en andere rechts-radicalen Europa overspoelen, begint zelfs een principiële opportunist als premier Rutte het belang van de Unie in te zien. En ook intellectuelen met ruggengraat durven vandaag wel eens formuleringen te bezigen die Donner 14 jaar geleden gebruikte.

Een polyester vlaggenmast

Het nationalisme heeft iets van een wild beest en lang niet altijd kunnen we er op rekenen dat de domesticering is geslaagd. En dus moeten we het heel ernstig nemen. Intellectuele ironisering of deconstructie helpen ons daarbij niet echt vooruit. Meer nog: in het huidige klimaat is dit alleen maar olie op het vuur. Al te eenvoudig samengevat: roofkapitalisme, bureaucratisering, digitalisering en globalisering rukken gemeenschappen uit elkaar en mensen houden zich vast aan wat hun nog rest. Soms is dat hun taal, soms een polyester vlaggenmast. Dat kun je belachelijk vinden, maar wat schieten we daarmee op?

Ook de weldenkende Nederlanders die het vermeend a-politieke poldermodel bezingen, die warme gevoelens krijgen bij Rembrandt, de Gouden Eeuw en de Elfstedentocht en die met heimwee terugdenken aan de onbekommerde periode van ‘Nederland Gidsland’ zijn niet geheel vrij van nationalisme. Ze zullen het zelden of nooit zo noemen – „Nee, wij zijn geen nationalistisch volk, moet je maar eens naar die malle Fransen kijken” – maar misschien doen zij er goed aan dat toch te doen.

Ondanks de Verenigde Naties, ondanks de Europese Unie, ondanks Netflix, ondanks JetAir, ondanks hun skivakanties en hun wereldreizen denken, handelen en voelen de meeste mensen vandaag nog altijd binnen een nationaal kader. Zo worden ze gesocialiseerd in het onderwijs, zo worden ze door landelijke media en instituties dag na dag gekneed. Niet iedereen kan zich, zoals Arnon Grunberg, thuis voelen in een hotel. De meeste migranten die ik ken (expats, luxemigranten dus) gaan door een niet eens altijd milde vorm van een identiteitscrisis.

Ook wie gepromoveerd is op Alteriteit, blijkt enorm te moeten wennen aan het andere land, met zijn andere gewoontes, codes en culturele gebruiken. Uiteraard kun je dat relativeren en er, bijvoorbeeld, op wijzen dat een Limburger ook aanpassingsproblemen heeft wanneer hij in de Randstad wordt gedropt. Maar dat onderstreept alleen maar mijn punt over de niet te negeren impact van socialisering, denk ik.

Het komt er dus op aan die socialisering zo te organiseren dat van de straat tot de planeet ruimten, sferen, bubbels worden gecreëerd waarin mensen zich tegelijk vrij en verbonden kunnen voelen.

De kracht van een nationaal verhaal

Natuurlijk is de natie een fictie, maar zoals letterkundigen weten kan van fictie een enorme kracht uitgaan. Net zoals in fictie, in verhalen dus, komt het er in een natie op aan wie er in het verhaal mag meespelen. Wie er een stem krijgt, wie gehoord wordt, wie er in alle politieke, sociale en culturele opzichten mag meedoen.

Lees ook: Nederland als goed gesprek (1996)

Op dat vlak maken we vandaag donkere tijden door. Het gesprek over Nederland wordt overheerst door lieden die het land bij voorkeur zien als de mannelijke hoofdpersonages in een roman van W.F. Hermans: zij voeren het hoogste woord en wie het niet met hun eens is, verdient hoon of zwavelzuur.

Maar er moet toch ook een roman, een land denkbaar zijn waarin meerstemmigheid als een kracht in plaats van een zwakte wordt gezien en waarin er zoveel personages als soorten inwoners zijn? Een roman waarin die politieke verschillen niet pseudopolderend worden opgelost of geharmoniseerd, maar naast elkaar kunnen bestaan, in altijd andere coalities en verbanden?

Het is een gevaarlijk verlangen van een volk te verwachten dat het één en ondeelbaar is. Maar dat volk, veranderlijk en verbrokkeld, deelt wel dat ene land. Hoe verbeelden we die gemeenschap? Ik denk dat we beter daar onze tijd in kunnen steken dan in het kapot relativeren van een natiegevoel dat vooralsnog toch altijd sterker blijkt.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.