Opinie

Leermeester

Hugo Camps

Het afscheid van voetballer Robin van Persie nadert. Er woelt iets van een brok in de keel, het slikken wordt lastiger, mijn ziel schrijnt. Het valt me moeilijk om het Nederlandse voetbal onder ogen te zien zonder Van Persie. Ook bij Feyenoord laat de begenadigde spits een krater in het gemoed na. Nog een laatste wedstrijd, het klinkt als nog een laatste glaasje. De duistere nacht neemt het over.

Bij zijn voorlaatste wedstrijd tegen AZ scoorde hij het winnende doelpunt, buitenkant voet. Achtelozer dan een Italiaanse mama die soep uitschenkt voor haar kroost. Robin wil zijn laatste wedstrijd in de Kuip spelen. Na bijna zevenhonderd wedstrijden vindt hij het mooi geweest. Bij zijn afscheid moet niets georganiseerd worden, niets bij Feyenoord, niets bij het Nederlands elftal. Hij heeft zichzelf al gevierd, iedere minuut dat hij speelde. Daar kan niets bovenop.

Zestien goals in zijn laatste jaar eredivisie: het is een voortreffelijke score. Voor een speler die zestien keer de netten laat trillen, wil iedere club op de buik gaan. Voor Robin hoeft het niet meer, het scoren zelf bezorgde hem al genoeg levensvreugde. En: in zijn laatste jaren is hij volbloed ploegspeler geworden, de individuele schittering was niet meer het enige.

Feyenoord zal bloeden bij het afscheid van zijn enige sterspeler, voor Robin zelf is het, naar eigen zeggen, een deel van het leven. „Opstaan, even surplacen en weer doorgaan.” Of hij alle doelpunten en schoonheid ten volle geconsumeerd heeft, kan hij niet zeggen. „Ik heb genoten, maar ook van anderen. Een geniale assist is leuker dan een frommeldoelpunt.” Zelf scoorde hij vaak met een streep. Alsof hij zichzelf afschoot, op weg naar een baan om de aarde.

In zijn eerste profjaren speelden de pukkels van de puber op. Hij kon hard zijn voor zijn omgeving, schuwde de controverse met medespelers en trainers niet. Gedoe, altijd gedoe. Hij speelde toen nog op een gevoel van miskenning. Dat werd er bij Arsenal vakkundig uitgeranseld. Met liefde, want voor een spits is vertrouwen de brandstof naar succes.

Robin van Persie is misschien wel de sluwste voetballer die Nederland de laatste jaren heeft gekend. Hij kon zich in een wedstrijd onzichtbaar maken, zijn timing camoufleren, onverwacht demarreren met de snelheid van Mathieu van der Poel. Ook uitzonderlijk: hij hield afstand. Van euforie en wilde dromen, van de media, van de laaiend enthousiaste fans. Niet in kille verachting, maar omdat hij ook nog een eigen leven wilde leiden. Publieksspeler hors categorie, maar aan de striptease waren grenzen, in tijd en inzicht. Eigenlijk is Van Persie zijn hele leven lang cavalier seul geweest, zij het soms met gepaste onderdanigheid als de ploeg het nodig had.

Het is voor Rotterdam een zegen dat deze oer-Feyenoorder nog een jaar voor de club heeft willen spelen. Hij zal over vijftig jaar nog herinnerd worden op een manier die doet denken aan Pelé en Garrincha, Eusébio en Andrea Pirlo. Mooi aan Robin was dat hij nooit sentimenteel werd in vraaggesprekjes. In het veld stond hij in de volle gloed van zijn passie, achteraf ontnuchterde hij zichzelf en zijn omgeving. Alleen aan zijn sporadische lach kon je nog zien dat er iets groots was gebeurd. Verder lag hij alweer in de plooien van bescheiden alledaagsheid.

De rebel uit de beginjaren van deze eeuw is bedaard tot leermeester. Zonder pretentie.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.