Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Landsmeer

De vriendin had in het Noordhollands Dagblad gelezen dat er een boerderij was waar je lammetjes mocht aaien. Ze vroeg het aan de dochters (2 en 3). „Lammetjes aaien?” Ja, toen konden we niet meer terug. We waren al weleens eerder naar Landsmeer gefietst, maar toen woonden we nog in Amsterdam en toen zat er ook nog geen driejarige met haar vuistjes op mijn rug te slaan omdat ik nou eenmaal ‘stom’ ben.

Ik praat graag tijdens het fietsen en vertelde dat Ferdi E., de ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn in Landsmeer woonde en dat die uiteindelijk werd gepakt omdat hij in een slijterij van Dirck III bankbiljetten van het losgeld uitgaf. Er werd niet op gereageerd, daarna behandelden we de vraag of lammetjes poepen.

We hadden wind tegen, waarom waaide het in dit gebied altijd zo hard? Om de boerderij waren rood-witte linten gespannen, alsof er een moord was gepleegd, maar het was om parkeeroverlast te voorkomen. Hele gezinnen sleepten elkaar naar het dagje uit, vanaf de fiets leek het alsof ze op de vlucht waren. Bij het erf zat een boerin op een verhoging entree te heffen.

Niet pinnen, muntjes in een koektrommel.

Bijna geen cash meer, het beloofde ijsje konden ze schudden.

In plaats daarvan in de rij voor de gratis limonadekoe: een koe van karton, je moest de limonade uit een plastic handschoen knijpen. Ik kreeg complimentjes van de mensen achter me. Het ging zo lekker snel, had ik soms vaker gemolken?

De vriendin sloot met de jongste dochter aan in de file voor een pony waarop je voor vijftig cent een rondje om de hooiberg mocht. Ik sprak kort met de boer, zelden iemand met zoveel zelfvertrouwen appelsap zien verkopen. In een schuur stond een puber, ik denk een zoon van de boer, met een lammetje in zijn armen. Wachttijd een kwartier. De vader voor me had met zijn sneakers in iets bruins gestaan en vroeg of het poep of blubber was.

Nou, wij waren.

De oudste dochter spreidde haar armpjes, ze heeft extreem heftige gevoelens voor dieren. Ze drukte haar gezichtje tegen de kop van het lammetje en zei dat ze het diertje net zo lief vond als papa.

„Dat ben ik”, zei ik niet zonder trots.

Daarna wilde ze niet meer weg bij het diertje. De ouders achter me begonnen van ergernis te kuchen, de puber duwde haar uiteindelijk wat ruw weg. Het woord ‘boerenlul’ lag op het puntje van mijn tong, maar hij zei net op tijd dat hij eerst heus vriendelijk aan haar lijfje was gaan sjorren en dat het op lammetjesdagen altijd gekkenhuis is.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.