Hammershøi dankt reputatie aan stille vertolkingen van dat ene adres

Vilhelm Hammershøi De interieurs van de Deense schilder Vilhelm Hammershøi hebben een wonderlijke intensiteit. Ze hangen nu in Parijs.

Drie jonge vrouwen van Vilhelm Hammershøi (1895)
Drie jonge vrouwen van Vilhelm Hammershøi (1895) Foto Ribe Kunstmuseum

Een van zijn mooiste schilderijen toont een binnenplaats, met een open raam. Grijswit licht strijkt over de muren. Zes jaar later schilderde hij dezelfde binnenplaats, vanuit een andere hoek, later op de avond, met een vrouw die uit het raam kijkt.

Strandgade nummer 30, eenhoog, Kopenhagen. Zeker zestig schilderijen maakte Vilhelm Hammershøi (1862-1916) van dat adres; de meeste interieurs, sober gemeubileerd. Na verloop van tijd kun je er een plattegrond van tekenen.

Het zijn deze stille vertolkingen van steeds datzelfde Noord-Europese huis die Hammershøi zijn postume reputatie bezorgden. Ze hebben een wonderlijke intensiteit, waardoor ze zich losmaken van alle kunst die in de buurt komt. Het stadspaleis Musée Jacquemart-André in Parijs toont een kleine expositie waarop je die distantie goed ziet. Van zijn vriend Carl Holsøe bijvoorbeeld zijn er prachtig interieurs die veel lijken op die van Hammershøi: een licht vertrek, met of zonder lezende vrouw, op de rug gezien. Maar alles is anders. Bij Holsøe glanst een gouden lijst, de rand van een mahoniehouten tafel, een kristallen vaasje met bloemen.

Glans, kleur en bloemen vind je bij Hammershøi nooit. Naast het soepele schilderwerk van zijn tijdgenoten doet het zijne een beetje stug aan: schrale verftoetsen die een illusie oproepen van ruimte, diepte en licht. De illusie mag bestaan voor zover hij het doel van de schilder dient. Dat geldt ook voor de bewoonster van de kamers, altijd zijn vrouw Ida, in het zwart, bezig met iets. Nooit kijkt zij ons aan. Haar functie is die van een aanwezigheid. Tegelijk is zij zo alomtegenwoordig dat je de interieurs zonder haar ervaart als een afwezigheid: ‘Ida is ergens anders’.

Het is de absolute toewijding aan dat wat hij wél laat zien die zijn werk zo’n kracht geeft

Bij een kunstenaar van dit type is het de absolute toewijding aan dat wat hij wél laat zien die zijn werk zo’n kracht geeft. Kijk, zeggen die schilderijen: dit is licht dat valt door een raam. Dit is licht áchter een raam, op een wand, een vloer. Kijk hoe het kruipt en zich verplaatst, verglijdt, verdwijnt. Hoe het de ruimte definieert, raadselachtig en rijk. Hoe het licht niets is en tegelijk alles bepaalt. De donkere vrouw is een rustpunt.

Om haar heen voltrekt zich het theater van schijnsel en schaduw.

Of hij een gelukkig of plezierig mens was weten we niet. Zijn huis was even sober als de geschilderde versie, zeggen de foto’s. Maar Hammershøi mag solitair zijn geweest en obsessief, naïef was hij niet. Hij wist precies wat hij deed. Vóór zijn neerdaling op Strandgade 30 maakte hij samen met Ida lange reizen door Europa. Hij ontmoette machtige critici die zijn kwaliteit direct herkenden, nam deel aan internationale tentoonstellingen en bezocht de grote Europese musea.

Lees ook: Waarom komt lichtval op schilderijen altijd van links?

Geen kleurfonteinen

Hammershøi behoort tot de kunstenaars die van jongsaf leek te hebben begrepen wat hij zocht. In 1889 zag hij in Parijs het werk van de post-impressionisten, spetterend van kleur. Veel tekst heeft hij niet nagelaten, maar zijn brieven lopen niet over van enthousiasme voor de Franse kleurfonteinen. Hij zette zijn ezel op in het Louvre en schilderde een archaïsch Grieks reliëf, in een strijklicht dat dezelfde poederachtige textuur had als de wanden en vloeren van zijn latere interieurs. Waar Hammershøi verder in het Louvre zijn oog op liet vallen, daar kun je naar raden. Vermeer, beslist, en vast ook het bijna monochrome portret van Madame Récamier door de Franse achttiende-eeuwer Jacques-Louis David. De elegante Juliette bevindt zich op een chaise-longue voor een hoge kale wand die is opgebouwd uit korte toetsen, verlopend van licht naar donker. Ook bij Vermeer vind je die wanden: leeg en tegelijk niet leeg, gevuld met strijklicht dat zich verbindt met het handschrift van de schilder. Dat heeft Hammershøi zeker aandachtig bekeken.

Hij zag veel en kwam overal, maar moeite om ergens tussen te komen deed hij nooit. Voor zijn levensonderhoud was dat ook niet strikt vereist: net als Vermeer werd zijn werk al vroeg verzameld door een enkele liefhebber die het koesterde, en daarmee onbedoeld een rem zette op de verspreiding ervan. Na zijn dood in 1916 gaf verzamelaar Alfred Bramsen zijn hele collectie in permanente bruikleen aan het Statens Museum for Kunst in Kopenhagen, dat het geschenk vijftien jaar later retourneerde, ‘wegens ruimtegebrek’. Het duurde tot 1992 voor Hammershøi opeens toch internationale faam verwierf, met een monografie en een tentoonstelling in Parijs.

Zijn vriend de schilder Jens Ferdinand Willumsen zei eens dat Hammershøi nooit enige ontwikkeling had doorgemaakt, maar dat klopt niet, al is de tentoonstelling in het Jacquemart-André eigenlijk te klein om die goed te demonstreren. Hammershøi legde in zijn kunst wel degelijk een reis af, die voerde van de relatief helder gedefinieerde vroege interieurs tot aan de prachtige balkonkamer van Spurveskjul (1911) die Boijmans van Beuningen in 2015 wist te verwerven. Hier is bijna alleen de suggestie van vensterlicht nog over, en de afwezigheid van Ida, uitgedrukt in droge toetsen die linksonder stranden op het kale doek. Je kunt dat kleine, karige schilderij nog zien op de afscheidstentoonstelling van Boijmans.

Kort na de aankoop stelde dat museum het ten toon in een zaal met Saenredam, De Hooch, Metsu, een fotowerk van David Claerbout en een installatie van Oscar Tuazon. Dat was goed gezien. Dezelfde intensiteit en doelgerichtheid die Hammershøi isoleert van zijn meest directe verwanten, verbindt zijn werk met verre vreemden, vroeger en nu.

Hammershøi, le maître de la peinture Danoise. T/m 22 juli in Musée Jacquemart-André, Parijs: musee-jacquemart-andre.com