In Mawanella zijn moslims nerveus

Sri Lanka In sommige delen van Sri Lanka herinneren moslims zich nog het geweld door boeddhisten. Dat kan nu weer oplaaien, vrezen ze in het heuvelstadje Mawanella.

Foto Jewel Samad/AFP

De problemen in Mawanella, een stad van zo’n honderdduizend zielen in de heuvels van Sri Lanka, begonnen met een hamer. Terwijl haar bewoners afgelopen december nog in diepe slaap verkeerden, hakte een groepje lokale moslimjongeren op verschillende plekken met hamers op Boeddhabeelden in. De volgende ochtend bleek de schade mee te vallen. Wat gebutste hoofden, een afgebroken hand.

Dat wil zeggen, de materiële schade viel mee. Maar voor de oudere generatie moslims was het nieuws over de vernieling alsof een oude wond werd opengereten. Zij waren niet vergeten hoe jaren eerder een klein incident genoeg bleek om de woede bij hun boeddhistische buren te doen ontvlammen – met doden en gewonden tot gevolg. En nu waren heilige iconen verminkt.

„Het was een nachtmerrie”, zegt Safri Muhammed (33), een vriendelijke jongen met een ernstige blik. „We hadden geen problemen, alles was vredig, en toen gebeurde dat ineens.”

Lokale moslimleiders probeerden na het voorval in december met man en macht de schade te beperken. Er volgden ontmoetingen met monniken in de tempel van Mawanella, er gingen persverklaringen uit. Aan de muren en hekken van moskeeën kwamen spandoeken te hangen waarop werd benadrukt dat ook zíj het vandalisme afkeurden. Het hielp. Er waren spanningen, zegt Muhammed, die in het bestuur zit van een moskee net buiten de stad. Maar geweld bleef uit.

Lees ook: Colombo leeft weer in angst

Met een reeks dodelijke zelfmoordaanslagen elders op het eiland werd die zorgvuldig bewaarde rust afgelopen weekend ruw verstoord. Weer haalde Mawanella het nieuws. Dit keer omdat de jongens die met hun hamers op Boeddhabeelden insloegen, gelinkt zouden zijn aan een radicale moslimgeestelijke die verantwoordelijk wordt gehouden voor het bloedbad dat afgelopen zondag werd aangericht in kerken en hotels op het eiland.

Zijn naam: Mohammed Zaharan Hashim. De leider van een tot dan toe vrijwel onbekende terreurgroep uit het oosten van Sri Lanka figureerde deze week in een video van Islamitische Staat waarin zij haar komst op het eiland aankondigde.

„Voor de jongens in Mawanella was Zaharan een mentor”, zegt Hilmy Ahmed, de vicepresident van de Moslimraad van Sri Lanka, een koepelorgaan. Vorig jaar zou de geestelijke tijdelijk in de heuvelstad zijn neergestreken om koranlessen te geven. Ahmed: „Daarin radicaliseerde hij de jeugd langzaam.” In december verdween Zaharan plots van de radar. Meteen na de ‘beeldenstorm’ in Mawanella, volgens een uitgelekt inlichtingenbericht.

Tot zondag, toen hij zichzelf opblies in het Shangri-La hotel in Colombo.

‘Bang dat de woede overslaat’

De aanslagen hebben moslims in Sri Lanka bloednerveus gemaakt – en in het heuvelstadje in het hart van het eiland al helemaal. „We zijn bang dat de woede op ons overslaat,” zegt de 37-jarige ‘Mo’, die zijn naam niet durft te geven, net als de nerveuze mannen die voor de poorten van een moskee om hem heen staan „Straks komen ze nog achter ons aan.” Aan de spijlen hangt opnieuw een groot wit spandoek. Dit keer tegen het terrorisme.

Die angst is er niet voor niets. Amper een jaar geleden staken Sinhalese boeddhisten op nog geen uur rijden van Mawanella huizen en winkels van moslims in brand na een uit de hand gelopen verkeersruzie. De rellen die plaatsvonden in de omgeving van de populaire toeristenstad Kandy waren zo hevig dat de regering er de noodtoestand uitriep. In Mawanella hield de gemeenschap zich stil, uit vrees dat het geweld zou overslaan.

Etnisch en religieus geweld is Sri Lanka allesbehalve vreemd. Een conflict tussen de overwegend hindoeïstische Tamils en de boeddhistische Sinhalese meerderheid stortte het eiland in een burgeroorlog die zich bijna dertig jaar voortsleepte. Het einde in 2009 ging gepaard met de opkomst van militante boeddhisten. Vooral de moslims, met 10 procent een kleine minderheid, werden sindsdien het doelwit van haatcampagnes en geweldsuitbarstingen.

De afgelopen jaren nam ook binnen de moslimgemeenschap het aantal radicale stemmen toe: salafistische organisaties zoals National Tawheed Jama’ath (NTJ), met Zaharan als voorman.

Dat was tot nu toe een vrij marginale club, zegt Alan Keenan, Sri Lanka-deskundige bij de International Crisis Group. De NTJ had het bovendien vooral voorzien op andere moslims die volgens Zaharan „niet puur genoeg” waren. In amateuristische YouTube-video’s, waaronder met het brandende World Trade Center op de achtergrond, ging hij nog een stap verder door moslims op te roepen niet-gelovigen te doden.

De haat van Zaharan

Hilmy Ahmed van de Moslimraad zegt dat hij de veiligheidsdiensten zo’n drie jaar geleden al waarschuwde voor de haat die Zaharan predikte. Ook in Kattankundy, waar hij vandaan komt, gingen moslims de straat op om zijn arrestatie te eisen. Maar dat gebeurde niet. „Veel mensen accepteerden hem gewoon als iemand met heel radicale ideeën,” zegt Ahmed. „Niemand had kunnen dromen dat het tot dit punt zou komen.” Maar onder jongere moslims won de prediker met zijn video’s en koranlessen gaandeweg aan volgelingen. Zo ook in Mawanella.

Zaharan? Die hebben ze in jaren niet gezien, beweren ze in het kantoor van de hagelwitte moskee in Delgahagoda, een dorpje net buiten Mawanella. „De laatste keer moet zo’n acht jaar geleden zijn geweest”, zegt bestuurslid Safri Muhammed. Zaharan was op bezoek en zou voorgaan in gebed, maar weigerde zijn hoofd te bedekken, een vast gebruik in deze moskee. „We hebben hem gevraagd weg te gaan. Daarna is hij niet meer teruggekomen.”

Alleen al het noemen van zijn naam maakt de heren die zich aan de lange tafel hebben verzameld zichtbaar ongemakkelijk. Net als praten over de jongens die met hun hamers op de goede relatie met hun boeddhistische buurtgenoten insloegen. Die gingen hier naar de moskee. „Als we geweten hadden dat ze er dit soort ideeën op nahielden, hadden we de politie ingelicht,” zegt Muhammed. „Het kwam voor ons allemaal als een verrassing.”

Behalve dan voor twee broers die vlakbij woonden. De laatste jaren begonnen zij steeds radicalere dingen te zeggen, klinkt het aan tafel. Net als hun vader. Over dat moslims lang genoeg hadden stilgezeten. Dat het tijd was terug te slaan.

Hij snapt het ergens wel, zegt een van de mannen voorzichtig, nadat hij eerst drie keer heeft gevraagd of het gesprek niet wordt opgenomen. „Onze moskeeën worden in brand gestoken, wij worden aangevallen. En niemand die iets doet.” Kijk wat er vorig jaar na de rellen in Kandy is gebeurd, vervolgt hij: „Niets. Er zijn een paar mensen opgepakt en dat was het.” Natuurlijk keurt hij niet goed wat ze hebben gedaan met die beelden. „Maar waar blijft onze gerechtigheid?”

De broers wisten na het beeldenincident te vluchten en zijn sindsdien spoorloos. Hun vader werd wel opgepakt, samen met nog twaalf anderen. De zaak is overgedragen naar het politiedepartement behept met vergrijpen die raken aan de nationale veiligheid. Over de voortgang van het onderzoek wil de lokale hoofdagent niets meer kwijt dan dat „het nog loopt”. Worden de jongens ervan verdacht banden te hebben met de NTJ? Dito.

In de moskee hebben ze het er liever niet meer over. Zeker niet na de aanslagen op Paaszondag. Ook hier is aan het spijlen hek een spandoek bevestigd. Een steunbetuiging aan de slachtoffers. En een oproep aan de regering om de daders, zij die nog leven, te bestraffen. Het vrijdaggebed is afgezegd, net bij als andere moskeeën. Uit solidariteit met de kerken, die uit veiligheidsoverwegingen tijdelijk geen diensten organiseren.

„Wat deze terroristen willen, is verdeeldheid zaaien”, zegt Muhammed. „We mogen hun die kans niet geven.”