Ocke en Fleur Molenaar en hun kinderen Suus en Wolf.

Foto Merlijn Doomernik

‘Het was heerlijk om er te zijn zonder de televisiecamera’s’

Ocke en Fleur Molenaar deden mee met RTL-programma Helemaal het Einde. Ze belandden in Kaapverdië, waar ze een resort begonnen. Het is hard werken, maar ook een ontsnapping uit hun keurslijf. „Je wordt natuurlijk getypecast.”

Zand, kale struiken en op de achtergrond een rij bergen. Ocke en Fleur Molenaar stappen met hun twee kinderen uit een taxibusje dat hen van het vliegveld in Mindelo naar het stoffige terreintje net buiten de hoofdstad bracht. Ze wisten dat ze naar Kaapverdië zouden vliegen, maar wat hun verblijf zou worden was een verrassing. Ocke – blouse met hoog gesteven boord – stamelt: „Wow!” In de brandende zon staat een beige safaritent met klapperende luifel. Fleur lacht: „Dit is heaven!”

Ocke (50), Fleur (34), Suus (7) en Wolf (4) Molenaar zijn één van de vier gezinnen die afgelopen jaar deelnamen aan het tweede seizoen van Talpa’s Helemaal het Einde (RTL), een wonderlijke mix tussen Ik Vertrek en Utopia. De gezinnen vertrekken naar een onbekende bestemming. Ze krijgen een hectare grond, 75.000 euro en de opdracht een huis en een bedrijf te bouwen. Na één jaar nemen ze een besluit: blijven of niet?

Iedere week zendt RTL de vorderingen uit: een tandartsbezoek, de eerste schooldag, gestuntel in het Portugees, de aanleg van een waterput. De serie is een succes voor RTL, wekelijks kijken gemiddeld ruim 900.000 mensen.

Zo hemels was die tent in werkelijkheid natuurlijk niet. Ocke, veranderingsmanager bij Shell: „Het ziet er in eerste instantie prachtig uit. Net een camping: picknicktafel, vers bakje groenten.” Maar krap drie uur na aankomst waren de groenten verlept, lacht hij. „Binnen twee dagen ben je extreem vervuild. En lauwe yoghurt, dat gaat zó tegenstaan.” De aanhoudende wind, het stof, de vliegen, slapen met oordoppen in een klapperende tent. Je kunt je er van tevoren nauwelijks een voorstelling van maken, herinnert Ocke zich, „maar in zo’n situatie ondervind je direct welke basics voor jou onmisbaar zijn.” Een maand na aankomst besluiten ze zichzelf op een nacht in een hotel te trakteren. Ocke: „Ik kwam de douche uit, fris gewassen dacht ik. Mijn witte handdoek was zwart.” Er moest, kortom, zo snel mogelijk stromend water en elektriciteit op het landje komen. „En een koelkast en vervoer.”

Ocke en Fleur – die ook voor Shell werkt, als inkoopmanager – fantaseerden al langer over een verblijf in het buitenland. Maar binnen Shell is die mogelijkheid er nog niet, en belangrijker nog: als expats hadden ze het avontuur nooit zo ver kunnen oprekken. Ocke: „We leefden een corporate leven, met alles wat daarbij hoort. Een heel comfortabel leven. Maar we hebben het ook wel eens ‘gouden handboeien’ genoemd.” Bovendien worden ze opgeslokt door de files en zijn ze bijna nooit voor zes uur thuis. Fleur: „Dan gaven we de kinderen een kus, speelden we misschien een spelletje, en dat was het dan. Het lukte ons niet dat te doorbreken.”

Het gezin ziet in Helemaal het Einde een kans om uit de trein te springen. De gedachte was, legt Ocke uit, „als je uit een geconditioneerd leven stapt, een leven met allerlei regels en mores, word je authentieker. Dan kies je pas echt voor jezelf en voor elkaar.” Hij maakt een wegwerpgebaar: „Je gooit alles in een hok, en je stapt op het vliegtuig – red je maar.”

Maar eenmaal in Kaapverdië gaat de familie Molenaar genadeloos van start. Ze sluiten een pact met de Brabantse buren: er moet niet alleen een gedeeld washok komen, ze willen samen een resort beginnen. In nog geen half jaar tijd stampen ze hun bedrijf uit de grond. ‘Casa tambor’ (‘Huize olievat’) heeft een bar en een zwembad, en vijf gekleurde huisjes van oude olievaten – mét wc en douche. Ocke: „Ik heb slippers en een korte broek aangetrokken en ben aan het werk gegaan.”

Zijn dag begint met het ophalen van de werklui in de hoofdstad, om vervolgens voortdurend heen en weer te pendelen, op zoek naar materiaal. „Je hebt er geen Gamma of Praxis, voor ieder schroefje is er een ander loket.” Ieder bed in het resort wordt met de hand gemaakt, en om de Kaapverdiaanse matrassen blijkt het Hollandse linnen niet te passen. Ocke: „Ik reed ’s ochtends om zeven uur weg en stond om acht uur ’s avonds weer in de tent. We hadden geen bank om op te zitten, dus dan ga je maar in bed liggen.”

In plaats van dichter naar elkaar, drijft het gebrek aan basisvoorzieningen het gezin aanvankelijk juist verder uit elkaar. Was de zorg voor de kinderen in Nederland gelijk verdeeld, in Kaapverdië komt die taak grotendeels bij Fleur te liggen, vertelt Ocke. „Gelijkwaardigheid hangt kennelijk samen met je leefomstandigheden. We werden als vanzelf in een veel traditioneler rollenpatroon gedwongen,” Fleur: „Alles kostte meer tijd daar. Je kon niet zomaar even iemand onder de douche stoppen. Eerst een teiltje pakken, water warm maken. De tent moest drie keer per dag geveegd. En dat koken op twee pitjes… Ik kon makkelijk een hele dag met huishoudelijke klusjes vullen.”

Om die reden neemt het gezin niet lang na de verhuizing Sabine aan. „Een huishoudster in een tent!” lacht Ocke. „Dat kwam ons natuurlijk op geweldige kritiek te staan.”

De kijkers zien hoe Sabine door Fleur onthaald wordt met een „feestpakket”: ze krijgt een emmer gevuld met schoonmaakspullen. Vanaf die dag is zij het die dagelijks de tent veegt, boodschappen doet en kookt. Later kopen de Molenaars nog een stofzuiger, maar daarin ziet Sabine niks. Fleur: „Ik wilde zó graag mijn skills, mijn capaciteiten weer gaan gebruiken.”

Ocke leunt achterover op de rode bank in hun Haarlemse jaren 20-woning. Tegen Fleur: „Dat is wel één van onze reflecties. Nu we de koe in de kont kijken: we hadden nog méér tijd willen nemen om gewoon te genieten. Een jaar gaat toch wel heel snel hoor, als je zo hard werkt.” Drie weken geleden is hij in zijn eentje naar het eiland teruggevlogen. Hij heeft Lena opgehaald, die zich in Kaapverdië als pup bij het gezin heeft aangesloten. „Ik moet zeggen, en nu ontroert het me weer: het was heerlijk om er te zijn zonder de televisiecamera’s. Dat soort momenten, dat zeggen alle gezinnen, hebben we te weinig genomen. Je bent zó bezig om te presteren. Er staat voortdurend een camera op je gericht. Dan wil je laten zien wat je kunt. Heel Nederland kijkt mee.”

‘Ik werd al snel de man die alleen maar stond te lullen’

Wat ook niet hielp was dat ze de controle over de realityserie grotendeels uit handen moesten geven. Zo kon het dat huishoudster Sabine, die de Molenaars in werkelijkheid met hun Brabantse buren deelden, juist in hún tent steeds vol in beeld werd gebracht. „Je wordt natuurlijk getypecast”, zegt Ocke. Sabine stond symbool voor het expat-gezin dat het liefst langs de rand van het zwembad ligt. Dat Ocke zijn flipover naar Kaapverdië had meeverhuisd, versterkte dat beeld. „Ik werd al snel de manager in het verhaal. De man die alleen maar stond te lullen en zijn handen niet wilde vuilmaken. Terwijl Fleur letterlijk naar de achtergrond werd verdrongen.”

Dat is hoe televisie werkt, constateren ze nu: er moet een verhaal gemaakt worden. Gingen zij iets leuks met de kinderen doen, dan filmde de crew dat meestal niet. Al willen ze er ook niet al te moeilijk over doen, benadrukt Ocke. Daar hebben ze voor aanvang een contract voor ondertekend: in ruil voor hun verhaal op televisie mochten zij een heel bijzonder jaar beleven. Jammer alleen, zegt Ocke, dat alle sociale media ervan uit gaan dat het verhaal op tv de volledige werkelijkheid is. „Er wordt vaak zo uit de heup geschoten. De tendens was al gauw dat Fleur de kinderen het liefste wilde uitbesteden. Dat het onbestaanbaar was dat wij überhaupt aan kinderen waren begonnen.”

Lees ook het interview van Jacqueline van Haaften: ‘Een blije partner maakt een blije expat’

Eind november is het gezin naar Nederland teruggevlogen. Het resort wordt uitgebaat door lokale vrienden. Al overwegen ze Casa tambor te verkopen: wie het „wil uitbouwen” moet er vaak zijn en houden van de horeca. „Iedere avond bardienst draaien zien wij niet als levensdoel.”

Ocke en Fleur konden na één jaar terugkeren bij hun oude werkgever. „Het is verbazingwekkend hoe gemakkelijk de kinderen in hun oude leven zijn teruggestapt”, vindt Fleur. „Ze zitten hier lekkerder in hun vel. Ze zijn vrijer. Ik hoor ze ineens weer zingen tijdens het spelen.” Ocke: „Je haalt je kinderen uit Haarlem, zet ze aan een houten tafel in een tent. Ze spreken de taal niet, moeten hun vriendjes missen. En dan proberen ze een broodje te eten, maar dat zit ónder de vliegen. Dat zijn momenten dat ik wel schuldgevoelens heb gehad.”

Sinds hun thuiskomst liggen de prioriteiten anders, zegt Fleur. Lena moet worden uitgelaten, ze werken vaker thuis en er is meer tijd voor de kinderen. Fleur: „Ik zat in een keurslijf toen we vertrokken. Ik wilde niet de indruk wekken dat ik de kantjes ervanaf liep. Nu vertrek ik op tijd van kantoor naar huis.”

Ze denkt dat het risicoloze bestaan hen heeft gevormd – zij konden met het startbedrag een jaar lang alle kanten op. Ze vergelijkt het met een speeltuin voor volwassenen: „Als we wakker werden, stond niets vast. We konden die dag iets bedenken, en het gewoon gaan uitvoeren.” Ocke: „Ik was al niet erg hiërarchisch ingesteld, maar ik voel me nu nog onafhankelijker.”

Ze zien minder obstakels, zeggen ze – Ocke zou er „niet meer voor terugdeinzen” zelf een containerwoning in Nederland te bouwen. Hij kan zich bijna iedere dag van het afgelopen jaar voor de geest halen. Niets was gewoon of sleets. „De herinnering is scherper. Over tien jaar denk ik daar nog glimlachend aan terug.”