Peter Müller (A.L. Snijders) haalt de post op. Zesenveertig jaar woonde hij met Y op de tweekapsboerderij. Vorig jaar overleed zij.

Annabel Oosteweeghel

A.L. Snijders: ‘Het verdriet stijgt tot aan de neus’

Interview Als student stal Tommy Wieringa eens twee brievenboeken van A.L. Snijders uit een schoolbibliotheek, wat leidde tot een interview. Meer dan twintig jaar later bezoekt hij de meester van het Zeer Korte Verhaal nog eens op zijn Achterhoekse boerderij. ‘De eerste zin moet alles baren.’

Ik ken A.L. Snijders twaalf jaar langer dan hij mij. Hij werd me al op jonge leeftijd voorgelezen in de klas van een dorpsschool in Diever, zuidwest-Drenthe; de lokalen op het zuiden keken uit op welvende akkers en bosschages. Mijn leraar Nederlands knipte op zaterdag de columns van A.L. Snijders uit het Parool en las ze aan ons voor. Ze waren bevriend, de leraar en de schrijver. Zo kwam Snijders in mijn leven, de taal en de verhalen van „een aarzelaar, een vaag, beginselloos mens”.

Ik verliet de school maar daarmee stopten de aanrakingen met Snijders niet, lang voordat het tot een echte ontmoeting kwam. Het zat zo: mijn pleegmoeder, bij wie ik in Diever woonde, had een naar mij vernoemde zwarte bastaardhond, en toen zij op zeker moment naar Curaçao verhuisde, kreeg de hond via omwegen een nieuw thuis bij mijn oud-leraar Nederlands, die buiten woonde, en ruimte had. Toen hij in een rolstoel belandde na een motorongeluk, verhuisde de hond Tommy naar zijn vriend A.L. Snijders, die ook buiten woonde, en ook ruimte had. Dat was mijn eerste echte kennismaking met Snijders: als zijn hond.

Ik beschouw het wel een beetje als een obstakel ook, soms, dat ik te laconiek ben

Toen ik op de journalistenschool in Utrecht zat, vond ik in de bibliotheek twee brievenboeken van Snijders, die ik stal. Aangeraakt door bewondering stuurde ik hem daarop een brief met de vraag of ik hem mocht interviewen. Hij schreef terug: „Ach, laten we ’t maar doen. Ik ben slechts voor twee dingen bang: 1. Dattik teveel theorieën verkondig 2. Dattik te lollig ga doen. Het liefst zou ik willen dat U plaatsnam in mijn hoofd en dattik U dan meedroeg langs mijn varkens en politie-agenten, terwijl U door mijn oren naar buiten keek en via mijn neusgaten luisterde naar de geluiden. En omdattu dan in mijn gedachten zou zijn, zou ik geen komedie kunnen spelen. U zou net zo bang + somber zijn als ik, zoiets.”

Twee dagen lang trok ik met hem op bij de politieschool waar hij adspiranten in de taal onderwees, en ook bij hem thuis waar hij brood bakte en zijn varkens voerde. Het interview werd geweigerd door een paar kranten en ook door De Groene Amsterdammer, waar een redacteur meende dat het met „een teveel aan bewondering geschreven was”. Toen de dwarse schrijver Arjan Witte en ik het literaire tijdschrift Vrijstaat Austerlitz oprichtten, drukten we het interview daarin af.

Tweeëntwintig jaar later hebben we afgesproken opnieuw te praten voor een publicatie omdat er in de tussentijd veel gebeurd en veel veranderd is. Een paar dingen: Peter Müller (de naam waarmee A.L.Snijders in 1937 geboren werd) stuurt nauwelijks brieven meer maar vooral e-mails, het zandpad naar zijn huis is intussen verhard en zijn vrouw Y is in het voorjaar van 2018 gestorven. Varkens en kippen heeft hij ook niet meer. In de tussenliggende jaren is hij wel een veelgelezen schrijver geworden, die het Zeer Korte Verhaal (ZKV) muntte en verbaasd houder is van de Constantijn Huygensprijs.

‘Ik moet elke keer van voor af aan beginnen’

Wanneer ik de auto voor zijn Achterhoekse boerderij parkeer, komt Müller naar buiten, een verwonderd ‘o?’ op de lippen: hij is de afspraak vergeten, maar het geeft niet, hij heeft niet veel anders te doen vandaag. Zijn bril staat een beetje scheef op zijn neus omdat hij erop is gaan zitten. Door de lage staldeur gaan we het huis binnen. Ik bracht aardbeienjam uit Waterland en herfstkaas uit Chimay voor hem mee, hij maakt koffie en smeert boterhammen. Het duurt heel lang. Hij was, zegt hij, net bezig met zijn wekelijkse stukje voor De Standaard. Vandaag wil hij voor de Vlaamse lezer graag het woord ‘neuken’ gebruiken. Ik zit onder het hok van de parkiet. Het beest krijst soms schel. Gedurende het gesprek daalt er een gestage regen van zangzaad en schelpenzand op mijn hoofd neer.

Het stukje met ‘neuken’ erin gaat over een onlangs overleden vriendin van hem. De eerste zin heeft hij alvast: „Het vrolijke meisje bleek tot haar schrik geboren te zijn in een streng gereformeerd milieu”. Hij heeft ’m zomaar opgeschreven, zonder gedachten vooraf, omdat hij zijn ZKV’s tegenwoordig schrijft volgens een nieuw procedé: de min of meer willekeurige eerste zin trekt de rest van het stukje voort. „De eerste zin moet alles baren”, zegt hij vanuit de open keuken. „Ik bedoel daarmee dat ik nog geen idee heb waar dat stukje over moet gaan. Ik wil alleen de eerste zin hebben en die moet het doen voor de rest. En dat is een paar keer helemaal goed gelukt. Ik kan het alleen maar bij die hele kleine stukjes voor De Standaard. Als er een af is, dan heb ik tien minuten lang een énorm gevoel van euforie, terwijl ik wel zie dat ik daarna opnieuw weer uit het niets moet beginnen. Als je aan een roman zit, stel ik me voor, beweeg je je op een rivier, je kunt op dingen doorgaan, maar ik moet elke keer van voor af aan beginnen, met die eerste zinnetjes die het geheel met zich mee moeten trekken.’

„Daarmee neig je toch altijd weer naar de dadaïsten en surrealisten, met hun écriture automatique.”

„Ja, daar heb ik affiniteit mee. Maar ik ga lang zo ver niet.”

„Het is me opgevallen”, zeg ik, „dat je stukjes momenteel iets contextloos hebben, het schrijven om het schrijven, en niks meer dan dat.”

„O, maar ik wil niet een experimenteel schrijver worden, het moet er heel fijntjes tegenaan hangen. Maar ook weer niet alleen gehoorzamen aan mijn neiging tot de klassieke vertelling – dus ik ben heel blij dat je dat zegt, van dat contextloze.”

Annabel Oosteweeghel

Terwijl hij brood en koffie op tafel zet, noemt hij James Salter terloops de beste schrijver ter wereld, beter nog dan Nescio, en dat wil wat zeggen, uit zijn mond. Harry Mulisch oogstte ooit zijn diepe vijandschap toen hij Nescio „een onbeduidende schrijver” noemde, „omdat hij niks toevoegt”.

Ik vertel dat ik ‘Schemering’ van Salter koos voor een bundel waarin Nederlandstalige schrijvers hun favoriete korte verhaal kiezen en toelichten. „Dat weet ik”, zegt hij, „ik ben er ook voor gevraagd, maar gisteren pas. Ze zeiden dat Salter al vergeven was, aan Wieringa. Godverdomme, dacht ik, ben ik weer laatste keus.” Roept: „‘We hebben niet genoeg schrijvers, we moeten Snijders nog vragen!’”

Hij koos nu ‘Net als alle mannen’ van John McGahern, een verhaal over een jonge man en een jonge vrouw – de man wil de vrouw maar zij zal na hun eerste en enige nacht intreden in een klooster. Müller bewondert haar, zoals hij ook zijn onlangs overleden vriendin bewonderde, het meisje dat tot haar schrik geboren bleek in een streng gereformeerd milieu. Volgt een van zijn elliptische vertellingen, vaak aangekondigd met „dat is ook weer een verhaal op zichzelf…” en tegenwoordig niet meer onderbroken door zijn echtgenote, die, als hij te ver uitwaaierde, soms zei: „Kort nu, Peter”.

Over het meisje uit het gereformeerde milieu: „Het begon al met de moeder, dat was de duivel zelf. Die had er bij dat kind ingeramd dat er niks boven God ging. Toen is dat meisje op een gegeven moment naar buiten gelopen en heeft heel hard de ergste vloeken die ze kon bedenken – godverdommese vuile klerelijer! – naar God geroepen, en daarna wachtte ze of ze door de bliksem getroffen zou worden, want dat waren de verhalen. Toen dat niet gebeurde is ze weer naar binnen gegaan en heeft tegen haar moeder gezegd: ‘Ik ga nooit meer mee naar de kerk, want God heeft niet gereageerd’.

„En toen heeft ze ontdekt dat het fijnste wat er was, neuken was. Ze neukte al op haar dertiende jaar. En dat is ze blijven doen, ze was vrolijk, ze bleek talen te kunnen leren – ze heeft nauwelijks… nee, ze heeft wel een school afgemaakt, ik moet het niet te gek maken. Op haar achttiende is ze uit huis gegaan, sprak vloeiend Duits, Frans en Engels, en later ook nog Spaans, en had allerlei baantjes in andere landen. Toen haar man haar leerde kennen, vertelde hij me van de week, had zij met achttien mannen geneukt, allemaal zonder condoom of enige maatregelen ter voorkoming van. Ze deed het heel goed, het was gezellig en ze maakte nooit problemen, ze wilde altijd en zo. Het leuke neuken. Hij had een soortgelijke achtergrond, alleen had hij maar tien meisjes gehad. En daar maakten ze – ze zijn meer dan vijftig jaar getrouwd geweest – daar maakten ze dus altijd grappen over. Achttien! zei ze. Achttien! Haar superioriteit. En dat stukje van mij, dat wil ik er graag mee eindigen dat zo iemand geen ‘hoer’ moet worden genoemd, begrijp je?”

Er is iets met dat woord ‘neuken’ vandaag, het zwerft zo raar vrij onder de witgeverfde balken – toen zijn vrouw Y nog leefde, was het een veel minder courant onderwerp. Ze overleed in het vroege voorjaar van 2018. Toen Volkskrant-journalist Fokke Obbema Müller later dat jaar bezocht om over de zin van het leven te praten, zei Snijders als eerste: „Haar dood wil ik graag buiten dit gesprek houden”. Emoties horen onder de oppervlakte. Men moet zichzelf beschermen.

„Zelfs bij haar dood heb ik niet gehuild”, zegt hij nu. „En bij mijn vader en moeder zeker niet. Dat is iets fysiologisch, het stijgt op tot hier” – hij wijst naar zijn neus – „en daar stopt het.”

„Waar de een huilt, krijg jij een loopneus.”

„Alles kan. Al die reacties. Zo tasten we elkaar af: heb jij dat ook, of juist niet…Nee, ik huil nooit, ook niet als m’n vrouw, m’n vader of m’n moeder… O, wat raar, dat hoort er toch bij allemaal? Al die paradoxen.”

„Maar je voornemen om een verhaal van Isaak Babel voor te lezen bij je vaders begrafenis, dat heb je niet ten uitvoer gebracht.”

„Nee. Nee, dat kon ik niet.”

Daarmee neig je toch altijd weer naar de dadaïsten en surrealisten, met hun écriture automatique

In het verhaal ‘De tocht over de Zbroetsj’ uit De rode Ruiterij wordt een ingekwartierde militair ’s nachts gewekt door de Joodse vrouw des huizes omdat hij almaar tegen haar slapende vader aanstoot. Als de vrouw de deken van de oude man af trekt, ligt er een dode onder, een klonter bloed als een klomp lood in zijn baard. Vermoord door de Polen, zegt de vrouw, die hem zijn keel uitrukten en zijn gezicht doormidden kliefden. De zin waar het om gaat is deze: „En nou wou ik wel eens weten”, zei de vrouw eensklaps met een verschrikkelijke kracht in haar stem – „nou wou ik wel eens weten, waar ter wereld je ooit zo’n vader zult vinden als de mijne was…”

„Waarom”, vraag ik, „kon je wel Richard Minne maar niet Isaak Babel voorlezen?”

„Omdat ik dan zou janken, hè.”

„Dan waren je tranen opgestegen naar je ogen.”

„Daar was ik bang voor. Dus niet het water tot de lippen, maar tot de wenkbrauwen.” (Lacht.)

A.L. Snijders (links) en Tommy Wieringa.Annabel Oosteweeghel

‘Neuken is natuurlijk wel de kern van alles’

Een gruwelijke binnenvetter, noemt hij zich. De man van 81 en de laconieke ZKV-schrijver zijn niet in verband te brengen met de woede die ik me uit een paar van zijn verhalen herinner. Over hoe hij eens met een krik op een medeweggebruiker af wilde, waar Y hem van weerhouden had. „Daar schaam ik me enorm voor, dat soort woede. Ik heb ook weleens gevochten op het Rembrandtplein, op een terras, met een jongen van mijn leeftijd die ik vaag kende of zo, en tegen me zei: ‘Ja jij daar, met dat schaamhaar onder je kin’. Toen gaf ik hem een schop, want ik had lange benen, en dat is vechten geworden – het is misschien wel vaker gebeurd maar ik kan me alleen dat herinneren.

„Mijn vader, een hele rustige man, had ook dat soort dingen, in cafés. Of dat ’ie ruzie kreeg aan de goktafel in Monaco, met iemand die hem een loer draaide, en daar dacht ook nooit iemand van dat ’ie dat zou doen. Incidentele woedeaanvallen. Gaatjes die er in breken, in dat pantser – en dan spuit er vuil uit. Een gruwelijke binnenvetter, ja. Ik beschouw het wel een beetje als een obstakel ook, soms, dat ik te laconiek ben.”

Op mijn vraag hoe hij dat psychologisch verstaat, reageert hij als een vampier op een streng knoflook. „O, maar dat is mijn gebied helemaal niet! Daar kan ik niet mee uit de voeten, met de psychologie. Dat komt ook door m’n eerste echtgenote, die overspel pleegde met een heel beroemde psychiater. We hadden afgesproken dat we overal boven stonden, zij en ik, superieur waren, ook als we uit elkaar zouden gaan. Geen ruzie, niks. Nou, dat is de smerigste scheiding geworden die je je kunt voorstellen.

„Op een feest waar we eens waren ontmoette ze Harry Mulisch. Die heeft haar adres gevraagd en belde de volgende dag al op of ze even langs kon komen voor een cohabitatie. Toen is ze zwanger geworden maar heeft dat kind op de wc verloren, als vrucht. Toen ik dat aan mijn grootvader vertelde, die altijd, tot aan zijn dood toe met vrouwen heeft gedonderd, zei hij tegen me: ‘En nu moet je scheiden, want als ze dat kind had gekregen, dan was jij de vader geweest’.”

„O?” zeg ik. „Ik dacht altijd dat je bezwaren tegen Mulisch strikt literair waren. Maar het gaat gewoon weer over neuken.”

„Altijd ja. Neuken is natuurlijk wel de kern van alles.”

Ik ben echt iemand die zeker weet dat ik er niet meer ben na de dood

De broer van zijn eerste echtgenote woonde destijds onder hem, Müller was zijn huisbaas. Toen Müller in de laatste fase van hun huwelijk een brief op de mat vond die zij aan haar broer geschreven had, opende hij hem en ontdekte dat ze met haar psychiater op reis was, in Duitsland. Hij nagelde de enveloppe met heel kleine spijkertjes op een halve centimeter van elkaar op de deur van haar broer beneden, „als een soort kunstwerk”, en zei toen hij thuiskwam: „Binnen twee dagen ben jij hier weg of anders ram ik je met een honkbalknuppel in elkaar.”

Of dat nou echte woede was, vraagt hij zich nu af, dat weet hij niet meer, hoe dan ook was de broer meteen vertrokken. „Ik had er later ook weer spijt van dat ik zoiets heb gedaan. Ook dreigen met geweld is al een daad van geweld. En die brief zo op te hangen… Het is me niet vreemd, begrijp je. Maar dat is allemaal natuurlijk minder geworden, gewoon minder geworden, omdat het, hoe je het ook wendt of keert, onbeschaafd is om mensen op hun bek te slaan.”

Bij de trap naar de slaapkamer hangt een familiefoto aan de muur waar ik al sinds mijn eerste bezoek graag naar kijk: hij, Y en hun vijf kinderen. Hoogzomer, ze staan op een rijtje in het hoge gras, bomen vol in het blad. De meisjes in jurken, de jongens met broeken aan. Müller is begin veertig, hij draagt een blauw boezeroen en een vuile broek, en laarzen aan zijn voeten. Oudgelovigen in Siberië, Quakers in Pennsylvania. Een hechte stam. Toen de stammoeder vorig jaar stierf, droegen ze haar uit op een houten brancard, iedereen eromheen op het verharde pad; kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en een hond. Zesenveertig jaar woonde Müller met haar in de oude tweekapsboerderij, met uilen op de hanenbalken en verlaten kamers waar soms jarenlang een radio speelde zonder dat iemand het hoorde. Begin jaren zeventig waren ze de stad ontvlucht, de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam. Ze woonden tegenover Casa Rosso, van de beruchte crimineel Zwarte Joop. Toen die in 1971 de luidsprekers buiten zette – „Tatsächlich Ficken auf die Bühne!” plus luide muziek – en Müller hem vroeg of de muziek weer naar binnen kon, zei Zwarte Joop: „Jongen, ik zou wel willen, maar ik kan niet: het is de vooruitgang”. Waarop Müller zei: „Dan vluchten we voor de vooruitgang.”

Maar ook in de doodstille Achterhoek slaapt hij slecht. „Tegenwoordig nog slechter dan anders. Sinds Y nog maar vijf uur. Dan ga ik om twaalf uur naar bed en ben ik om vijf uur weer wakker. Het gaat helemaal niet zo goed met me, maar daar heb ik geen zin in om over te praten.” Hij leest in het holst van de nacht, en schrijft soms iets. Vannacht een briefje over een uitgave die hij niet wil, een boek met brieven die hij schreef aan zijn vriend Wartena in Frankrijk. „Ik wil mijn brieven niet publiceren”, schreef hij aan zijn uitgever. „Ik vind ze te privé. Hiermee bedoel ik niet dat er te persoonlijke dingen in staan maar ik vind ze te onbenullig, te gewoon, te alledaags. Ze hebben geen meerwaarde, ze hebben geen boodschap. Bovendien zijn ze nooit bedoeld voor publicatie. Dat is mijn belangrijkste bezwaar. Ik wil eigenlijk alleen publiceren als dat het doel is. Na mijn dood heeft Marcus [zoon, red.] de regie. Hij is dan volkomen vrij. Hij kan publiceren wat hij wil. Ik wil geen invloed uitoefenen tijdens mijn eeuwige afwezigheid. Vriendelijke groet, PM.” Hij klapt het scherm dicht, kijkt over zijn scheve bril naar de overkant van de tafel. „En dat is het wezen ervan, begrijp je, dat de kinderen nooit denken ‘wat zou hij hebben gedaan’, niets. Ik ben echt iemand die zeker weet dat ik er niet meer ben na de dood. Er zijn een heleboel mensen die zogenaamd atheïst zijn die zeggen dat er muziek van Vivaldi moet worden gespeeld op hun begrafenis! Ha ha! Het idee! Begrijp je? Het is voor mij voor honderd procent afgelopen en ik zou het schándelijk vinden als ik énige vingerwijzing gaf.”

„Ook niet over wat er moet worden voorgelezen?”

„Niks.”

„Dus ook geen Babel.”

„Natuurlijk niet. Ik realiseer me natuurlijk wel dat ik in de laatste fase ben. Maar goed, dat is ook onzin, als ik aan mijn oom Gerrit denk. Die kreeg vlak voordat hij honderd werd een brief van de gemeente dat de burgemeester wilde langskomen. Dat wilde hij absoluut niet; drie dagen voor zijn honderdste verjaardag is hij gestorven.”

Müller blijft tot zijn dood in splendid isolation op zijn boerderij, en vreest de stilte niet. „Dit huis is zoiets fijns voor me. Ik ben ook helemaal niet bang. Als jij straks weg bent en ik zit hier alleen, in m’n eentje in een groot leeg stuk Nederland, dan heb ik totaal geen angst omdat ik voor de stilte niet bang ben en mijn verbeelding me niet leidt naar ‘o god zou dat niet een man zijn, of is het een stuk hout wat ik daar zie?’ Maar als ik iets hoor wat ik niet kan thuisbrengen, bijvoorbeeld een harde klap doordat er een stuk hout in de schuur valt, terwijl dat niet kan, dan pas schrik ik.”

Het is donker geworden, ik veeg het zangzaad van mijn hoofd en volg hem de keuken in. Hij haalt een afhaalmaaltijd van Albert Heijn uit de ijskast, staat er een tijdje mee in zijn handen en zegt dan wat hij ziet: „Italiaans met kip”.

Annabel Oosteweeghel

’s Avonds laat, bij thuiskomst, vind ik in de mailbox het stukje over het vrolijke meisje.

Het vrolijke meisje bleek tot haar schrik gebo- ren te zijn in een streng gereformeerd milieu. Vooral haar moeder dreigde met zware straffen van God, als ze zich niet hield aan zijn regels. Maar het meisje was niet alleen vrolijk, ze was ook intelligent. Op negenjarige leeftijd schreeuwde ze bij wijze van proef op straat de zwaarste vloeken, en wachtte op de reactie. Toen die uitbleef, zei ze tegen haar moeder dat ze niet meer naar de kerk ging, nu God niet reageerde. Op haar achttiende verliet ze het huis. Ze sprak vloeiend drie vreemde talen en had baantjes in verre en dichtbije landen. In de liefde was ze ook succesvol, ze had vele vrienden en na achttien verhoudingen trouwde ze op haar 25ste jaar met de ware. Een iets oudere man met dezelfde ervaringen als zij. Ze kregen drie kinderen, hun huwelijk duurde meer dan vijftig jaar. Het waren vijftig jaren van monogame liefde. De strenge, onbuigzame moeder die haar vrolijke dochter tot haar dood met bittere verwijten bleef achtervolgen, kreeg ongelijk. Ik kende hun hele geschiedenis en heb me altijd verkneukeld over falende voorspellingen en de verrassende bochten waarmee het water naar zee stroomt.

Het woord ‘neuken’ komt er niet in voor. Het stukje had iets anders met zichzelf voor dan de schrijver; de verrassende bochten waarmee het water naar zee stroomt.

In juni verschijnt van A.L. Snijders Doelloos kijken. 200 ZKV’s. AFDH, 264 blz., € 34,50