Opinie

Schubjes

Ellen Deckwitz

Wanneer je al een paar maanden met een serotonineloos gemoed rondloopt, kijk je op een gegeven moment anders tegen de dingen aan. De oorbellen met lange zwarte veren, waarvan je in blije tijden vond dat die van een merel waren, lijken nu ineens van een kraai. De kastanje tegenover het huis is niet meer een reuzencrinoline maar een bladgroenmonster dat de zon opslokt ten koste van zijn omgeving.

Toen ik gisteravond thuiskwam, bleken de balkondeuren te zijn opengewaaid, wat normaliter geen probleem is (hoera zuurstof lachen) maar niet wanneer je in een stad woont tjokvol bomen die net hun bloemen loslaten. De hele woonkamer zat onder de zogheten iepencentjes, lentesneeuw bedekte de boekstapels, eettafel, bank. Mijn donkere hoofd zag er een groot verdwijnen in: allemaal witte vlakken, alsof mijn thuis zichzelf al aan het opheffen was. Vermoeid sloot ik de ramen en begon te vegen. Die iepenbloesems zouden vrolijk moeten stemmen, het was net alsof er een confettikanon was afgegaan maar ik kon alleen maar denken aan het depri gedicht Mijn broer van Hendrik de Vries, waarin hij vertelt over een overleden familielid dat af en toe nog opduikt in zijn dromen. De iep speelt in het vers een schimmige rol. De Vries schrijft: „De weg met iepen liep gij langs…iets bangs/ vervolgde ons beiden. Toch wou hij/ Alleen gaan door de woestenij.” Wanneer de verdwenen broer uiteindelijk wordt gevraagd waar hij na zijn verscheiden heenging, luidt het antwoord: „Te vreselijk om zich in te verdiepen./ Zie: ’t gras/ Ligt weder dicht met iepen/ Omkringd.” De iep wordt hier een sinister stuk natuur, symbool voor de dood. En tadam, opeens was mijn woonkamer niet meer bedekt door gft-afval, maar door doodszaad. Mijn woning veranderde opeens dankzij die vliesdunne schubjes in een victoriaanse crypte.

Die gedachte hielp natuurlijk al helemaal niet en ten einde raad belde ik mijn zus, om haar te smeken mijn blik de andere kant op te zwengelen.

„Mijn huis is bedekt met grafbloemen!”, riep ik.

„Is dat niet een heerlijke gedachte?”, zei ze.

„Niet wanneer je de levensvreugde van een amoebe hebt!”

„Maar nu kan je opeens wel mooi de dood uit je huis verwijderen.”

Ik voelde iets verschuiven. De rest van de middag veegde ik twee vuilniszakken bij elkaar. Natuurlijk was een deel van mijn brein nog steeds bezig te roepen dat het natuurlijk louter symbolisch was, maar het protest klonk zacht, zwak, werd ongedaan gemaakt door elke schep dood die ik opveegde. Er kwam weer licht. Zelfs toen onder een van de bergen een halfvergeten rouwkaart tevoorschijn kwam. Doorgaan, mens, dacht ik, doorgaan. Verwijder de lagen en haal adem. Bloesemvrije lucht vulde mijn longen, verving stemmingen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.