Op zoek naar het avondeten in je eigen voedselbos

Voedselbos Het voedselbos lijkt een uitkomst voor de luie moestuinier. Madelon Oostwoud kocht een bos om uit te eten en weet: het is hard werken om de natuur haar gang te laten gaan.

Madelon Oostwoud in haar voedselbos bij Schellinkhout. „Het is een misvatting dat een voedselbos minder oplevert dan een akker.”
Madelon Oostwoud in haar voedselbos bij Schellinkhout. „Het is een misvatting dat een voedselbos minder oplevert dan een akker.” Foto's Daniel Niessen

Aan de dijk langs het Markermeer, ten oosten van Hoorn, net voorbij het dorp Schellinkhout, waar rechts witte koppen op het water staan en links brandganzen neerstrijken op het drassige grasland naast het kleine binnenmeer, dáár ligt het bos van Madelon Oostwoud. Nomen est omen. Voorbestemd, zo leek het, toen ze er vlak voor de koop nog was gaan kijken. „Er zat een kraai verschrikkelijk te schreeuwen. En toen ik thuiskwam, zat daar ook een kraai verschrikkelijk te schreeuwen.”

Misschien viel het haar op omdat ze het bos zo graag wilde. Een bos om in het groot te doen wat ze in haar postzegeltuin in de Amsterdamse binnenstad en in de tuin van een vriendin aan de rand van de stad al deed, tuinieren met eetbare planten, volgens de principes van permacultuur.

Oostwoud (58), rode lippenstift, stevige leren laarzen, van beroep persoonlijk secretaresse, is een stadsmens met bovenmatige buitenliefde. Zeilt in Friesland, waar ze op de camping ook een tuintje heeft. Een wildernis, vinden de buren het. Permacultuur, legt ze uit. Zorg voor de aarde en de mens, delen met elkaar en samenwerken met de natuur. Dat is één kant van de zaak. Praktisch betekent het dat je voornamelijk vaste planten plant en goed voor de bodem zorgt. Je gaat uit van wat de natuur nodig heeft en je te bieden heeft, in plaats van te proberen de natuur naar je hand te zetten. Niet gek dat permacultuur en voedselbos goed samengaan.

Een voedselbos lijkt een uitkomst voor de luie moestuinier: nauwelijks schoffelen en wieden. In een bos dat eenmaal is aangeplant heb je geen gedoe met elk jaar opkweken van nieuwe planten. Onkruid bestaat niet. De brandnetel en zevenblad (tuinmansverdriet) die de tuinder onvermoeibaar wegtrekt, heten in het bos wilde planten. Die bestrijd je niet, die eet je op, of je laat ze aan het einde van hun leven door de aarde opeten.

Maar een voedselbos is niet voor iedereen weggelegd. Waar vind je überhaupt een bos? „Het enige perceel dat ik na heel lang zoeken op Funda vond, was dit. En de vraagprijs kon ik niet betalen.” Landbouwgrond kost zo’n 6 euro per vierkante meter. In de wetenschap dat de grond was afgewaardeerd van agrarische bestemming naar natuurgrond, bood ze de helft. Heel lang was het stil. Anderhalf jaar geleden, ze was tussendoor meermaals gaan kijken, werd het bod geaccepteerd. „De eigenaar, een vogelaar, had mijn vorige boek gelezen, Een kleine eetbare tuin met vaste planten. Waarschijnlijk heeft hij het me daarom gegund.”

Eetbaar bos, kale akker, pluktuin

Overal in Nederland zijn mensen bezig met eetbare bossen, of dat nu in een bestaand bos is, of op een kale akker die op een dag vol bomen, struiken, klimmers en kruipers staat. Dat heeft met moestuinieren weinig van doen: uit het bos eet je geen eenjarigen als boontjes of tomaat, maar fruit, vruchten, vaste groenten, paddestoelen, kruiden en noten.

Wat nou precies een voedselbos is, daarover verschillen de meningen. Daarom kun je ook niet zeggen hoeveel voedselbossen Nederland telt. Er zijn mensen die een ‘tiny forest’ met een paar fruitbomen al een voedselbos noemen. De hardliners onder de voedselbosbouwers zeggen dat je minimaal een halve hectare nodig hebt, met vier groeilagen, om van een bos te mogen spreken. In sommige voedselbossen worden dieren gehouden, bij andere is dat taboe. Soms is een boer of particulier de eigenaar, maar Staatsbosbeheer, woningcorporaties en gemeenten beheren ook voedselbossen.

In haar boek Voedselbos is Oostwoud ruimhartig: het bekendste voedselbos van Nederland, Ketelbroek, bij Groesbeek staat erin. Maar een woonwijk met eetbare bomen en planten, een pluktuin, een boerderij met een paar hectare bomen en struiken mogen er ook bij. De ene beheerder is wat strenger in de leer dan de ander, maar van iedereen valt iets te leren. En allemaal vinden ze dat het anders moet met de landbouw, met ons voedselsysteem: geen monocultuur, geen (kunst)mest, geen gif, geen bodemverstoring, meer aandacht voor biodiversiteit. „Ik wil bijdragen aan een groter duurzaam bewustzijn”, zegt Oostwoud.

Lees ook: ‘Bomen moeten terug op het land’

Oostwoud haalt het zware fietsslot van het hek dat toegang verschaft tot een pad waar brandnetel woekert en je her en der over boomtakken en -stammen moet stappen. „Puristen laten alles liggen. Maar als een volgroeide populier op een stokoude kersenboom valt, zaag ik de dode populier in stukken, zodat hij de fruitboom niet schaadt.”

Vanaf de dijk leek het een bosje. Eén hectare, tienduizend vierkante meter, met struiken, wat loofbomen, een clubje sparren. Als je erin staat voel je je kleiner, dan wordt het bosje vanzelf een bos. Oostwoud wijst judasoor aan, een eetbare zwam. Een eik waarvan ze hoopt dat er op een dag truffel bij zal groeien. Het „laantje” waar ze vorig jaar jonge peren- en appelbomen heeft geplant. Verderop staat de wilde kers volop in bloei.

Het is haar tweede lente in het bos. „Je kent het nu al niet meer terug. Delen waren door braam overwoekerd.” Ze heeft paden vrijgemaakt met de bosmaaier en bamboe laten wegsnijden. Afgelopen jaar was ze er om de week een dag aan het werk, met vrienden en familie. „Mijn vrije tijd en mijn vakantiegeld stop ik in de grond.”

Google Earth en kadasterkaarten

Het begon met observeren, Google Earth en kadasterkaarten erbij, alles meten en in kaart brengen: de bodem, sloten en poelen, de vegetatie. „Er bleken niet alleen veel vlier, populier, wilg en wilde kers te staan maar ook hazelaar, roos, walnoot, Japanse zilverbes, berberis… Vorige week ontdekte ik sumak, je weet wel, van Ottolenghi. Ik bouw voort op wat er al is. Je zoekt naar plantengemeenschappen. Als er al een rode kornoelje staat, kan er een gele kornoelje bij.”

We struinen en slingeren, kris-kras, over het meeverende, bebladerde tapijt. Het bos ligt laag, het water staat hoog, maar de bodem is een gewillige spons. In het bos, waar de bodem met rust wordt gelaten en gevoed wordt met dode planten en afgevallen blad, kan de grond veel water absorberen. Het is een en al leven, zichtbaar en onzichtbaar, kruipend en gistend. Mest heb je niet nodig, het bos maakt zijn eigen compost. Oostwoud zet een spade in de grond en laat op haar knieën de aarde door haar handen gaan. Zavelrijke, rulle, donkere klei. Een dikke regenworm zoekt zijn weg. „The littlest farmhands, worden ze wel genoemd.” Ze helpen met ploegen en composteren.

Dit is een voedselbos in opbouw, er is nu nog niet veel te oogsten. Een bos dwingt tot geduld. „Maar het is een misvatting dat een hectare voedselbos minder oplevert dan een hectare akker”, zegt Oostwoud. Het is een soort driedimensionale akker: wortels en knollen in de grond, paddestoelen, waterplanten en bodembedekkers daarboven. Dan de iets hogere kruidlaag – rabarber, artisjok of kruisbes. Dan de struiken en de klimmers die meer licht zoeken, zoals braam en druif. Vervolgens de fruitbomen en grotere struiken. Ten slotte de hoge bomen. Meters boven de grond valt er nóg van alles te eten: walnoot, kastanje en pecan bijvoorbeeld.

Dat maakt oogsten in het voedselbos meer dan wildplukken: met goed beheer en slim aanplanten beweeg je nog steeds mee met de natuur, maar het is geen toeval meer wat er op je bord komt. „Ik ben ontzettend benieuwd hoeveel we hier straks kunnen oogsten. Van 250 vierkante meter zou je een gezin kunnen laten eten. Dan eten we geen aardbeien meer met Kerst. Als we monocultuur vervangen door lokale voedselbossen, krijg je een heel ander voedselpatroon en een ander landschap.”

Madelon Oostwoud: Voedselbos, inspiratie voor ontwerp en beheer. Uitgeverij KNNV, 224 blz., 29,95 euro.