In Nederland voel ik me meer mens en minder klasse

Welkom In Nederland woonde vijf jaar in Schotland. Deel vier van een korte serie over wat haar opvalt nu ze weer terug in Nederland is.

Illustratie Merel Corduwener

Beng, daar liep ik weer tegen iemand op in de deuropening. „Pardon!” „Het geeft niet”, en vriendelijk glimlachend bewoog de man zich vóór mij door de deur. Vijf jaar Groot-Brittannië had mij de deformatie gegeven dat ik dacht dat iedere man mij bij een deur liet voorgaan.

Is het belangrijk, goede manieren, of overdreven gedoe? De eerste paar maanden bij onze overzeese buren waren natuurlijk een feest. Al die mensen in winkels en restaurants die ‘alstublieft’, ‘als u zo vriendelijk zou willen zijn’, ‘zou ik u nog met iets anders van dienst kunnen zijn’, rondstrooien of het niets is. Rijen die vanzelf ontstaan en waar niemand voordringt, kinderen die ‘hoe maakt u het?’ zeggen. Nooit iemand die ‘neu, geen zin in’ roept, het antwoord is ‘wat ontzettend jammer dat het nu niet kan, maar het moet zeker later wel gaan lukken’.

„Thee, zei je?”

„Ja, graag.”

„2 euro 70.”

„Ik zou er ook graag een stuk appeltaart bij hebben.”

„Nou, dat had u dan wel wat eerder kunnen zeggen, nu heb ik het al aangeslagen.”

Mijn vriendin had me gewaarschuwd, zij ging nooit meer naar dit café. ‘De Snor’ was zijn bijnaam en hij was voorgedragen als meest lompe caféhouder van Den Haag. Als je dat weet wordt het wel weer een interessante ervaring want ik had van tevoren niet kunnen bedenken waar je moeite mee kan hebben als iemand thee met appeltaart bestelt. Er bleek een zee aan ongekende mogelijkheden.

„Oh, ik wilde eigenlijk graag earl grey, heeft u dat?”

Hij zette het kopje met een onnodige felle tik neer waardoor er water over de rand golfde en stond toen even zwijgend op me neer te kijken.

„Daar komt u nu mee?”

Hij zei het zo luid dat iedereen op het terras het moest kunnen horen, maar niemand keek op of toonde enige verbazing of verontrusting. De vraag was nu of het allemaal geharde vaste klanten waren of dat het een algemeen Nederlandse gewenning was. Ik probeerde bij mezelf na te gaan wat ik ervan vond. Ik was verbaasd, ja, maar geshockeerd? Nee, dat niet.

„Nou”, hij nam het zakje tussen duim en wijsvinger, „dan zal ik maar weer helemaal teruglopen.”

Het terras zat vol en niet met toeristen, maar met lokale bewoners. Dus, hij kwam ermee weg, al jaren en jaren.

„Ik hoor niet genoeg asjebliefts en dankjewels”, stelde de moeder monter vast. We zaten in Schotland aan een grote tafel met verschillende gezinnen en veel kinderen. Het leek mij een beetje algemene aanwijzing voor mensen van vier en zes jaar oud maar haar dochters reageerden allebei prompt met: „Ja, graag nog meer kip, alstublieft”. En kregen een goede portie opgeschept door de gastvrouw. Mijn zoons, die ernaast zaten, zagen hun kans schoon en haalden met het goede gebruik van the magic word ook nog een portie binnen.

Dus de training begint jong en werkt net zoals bij honden die je beloont met stukjes worst. En dat is ook wat mensen in Nederland er wel op tegen hebben. Als de nationale sport ‘eerlijkheid’ is, dan zijn dit soort pavlovreflexen uit den boze.

„Wat doe je nou?”

Ik had me de gelegenheid om nog eens in het café van de Snor te zitten, niet laten ontzeggen. En ik werd niet teleurgesteld. Dit keer had ik meteen om de goede thee gevraagd dus ik had al een pavlovje opgelopen. Dat was jammer want nu kreeg ik geen tekst. Helemaal niets. Hij keek me aan met geheven kin, liet zijn ogen even ten hemel gaan als om de futiliteit van mijn bestelling te onderstrepen. En schoof het even later voor me op tafel zonder er nog een woord aan vuil te maken.

Als ik had gedacht dat ik beter behandeld zou worden als ik een volledige maaltijd bestelde, dan had ik het mis. Recht voor me kreeg een man zijn lunch. Hij en de Snor leken elkaar te kennen want ze wisselden wat zinnen uit die ik niet verstond maar met de achteloze lichaamstaal van mensen die elkaar niet hoeven te peilen, dus hun ogen ontmoetten elkaar nauwelijks terwijl ze praatten.

Opeens vloog de blik van de gast echter naar het gezicht van de man die hem zijn eten bracht. En kon ik de conversatie wel verstaan want het volume ging een behoorlijk eind omhoog.

„Wat doe je nou?”

„Nou, ik neem een frietje van je bord.”

„Dat doe je toch niet?”

„Waar maak jij je druk om?”

„Daarom! Jij blijft van mijn eten af!”

„De Snor haalde zijn schouders op over zoveel kouwe drukte en ging terug naar zijn keuken.

Uit een evolutionair oogpunt bezien was deze interactie natuurlijk erg boeiend. Het stelen van andermans eten is iets waar je ruzie van krijgt, je ziet zo een stel leeuwen voor je die elkaar aanvliegen. Dus een gedragscode waarin is vastgelegd dat je niet van elkaars bord pikt, voorkomt onnodige verwondingen bij groepsgenoten. Maar de uitdrukking van de man aan de tafel was niet woede maar afkeer geweest. Een heel belangrijke overlevingstechniek is jezelf beschermen tegen ziektes. Als bijvoorbeeld de tafelgenoot van deze man het had gedaan, had hij misschien wel afkeuring uitgestraald maar geen afkeer. De caféhouder daarentegen was een vreemde, iemand met vreemde bacterieën.

Lees ook: Leuke eetweetjes blijken gebaseerd op slordig onderzoek

„Ach, het is gewoon een van die stomme kleine dingetjes die wij Britten hebben uitgevonden om te weten te komen of je tot een bepaalde klasse behoort.” De chefkok in het kasteel waar ik werkte, legde me uit waarom je als iemand ‘how do you do’ zegt, niet moest gaan vertellen hoe het met je gaat. Wel als iemand ‘how are you’ zegt. Hij zei zelf lachend hoe snobistisch het was. Maar ik wist dat hij dagelijks zwaar leunde op zijn uitgebreide kennis van de etiquette om zich te handhaven in de zeer gegoede milieus waarin hij werkte. Dat was de sleutel tot zijn aanzienlijke succes in dat wereldje.

Laten zien dat je tot een bepaalde klasse behoort door bepaalde gedragskenmerken te vertonen die enkel tot doel hebben je tot die klasse te laten behoren, is niet door Britten uitgevonden maar een systeem dat wel door hen tot artistieke hoogtes is gebracht. En waarvan de hele wereld smullend meegeniet in series als Downton Abbey.

Als een Nederlandse man mij niet laat voorgaan bij een deur, weet ik wel meteen dat hij niet bezig is met zijn status te bewijzen. En de mensen gaan naar het café omdat het eten lekker is en de ambiance prettig, niet omdat ze de hoop koesteren dat de caféhouder zal bijdragen aan hun gevoel van superioriteit. In Nederland voel ik me meer mens en minder klasse.

Ik word natuurlijk vaste klant bij het café met de Snor. Omdat ook ik benieuwd ben hoe ver je nu eigenlijk kunt gaan in Nederland.

Josephine Rombouts is de auteur van Cliffrock Castle, Werken op een kasteel in Schotland, een boek over haar belevenissen als huishoudster op een Schots kasteel. Ze woont nu weer in Nederland. Josephine Rombouts is een schrijverspseudoniem.